Dit onderdeel wordt maandelijks aangevuld bij het verschijnen van het nieuwe NTvDV-nummer.
Indien je een specifiek artikel zoekt dat niet online beschikbaar is, kan je contact opnemen met secretariaat@nvdv.nl.
- Kennisagenda
- NTvDV
- Zoek een artikel
- Actuele projecten
Zoek een artikel
Granulomateuze huidafwijkingen met monoklonale plasmacellen – een diagnostische uitdaging
C.C.P. Haenen , M. van Geel-Kucharekova, M.H.Vermeer, R. van Doorn, K.D.Quint
Sarcoïdose is een granulomateuze multisysteemziekte met een heterogeen klinisch beeld. In 20-35% van de gevallen is er sprake van huidbetrokkenheid. De oorzaak is onbekend. Sarcoïdose kan verschillende ziektebeelden
imiteren. We beschrijven het diagnostisch traject bij een patiënte met huidafwijkingen waarbij histologisch epithelioïd granulomen en monoklonale plasmacellen worden gezien. Voor de differentiële diagnose worden
sarcoïdose en het POEMS-syndroom overwogen. Op basis van de histologie, mediastinale lymfadenopathie, uveïtis, polyneuropathie en het laboratoriumonderzoek wordt de diagnose sarcoïdose gesteld. Of de monoklonale
lambda-plasmacelproliferatie is ontstaan in het kader van de sarcoïdose of hier los van staat, is niet bekend.
Het brede spectrum van de non-langerhanscelhistiocytosen
K.D. Quint, J.M. Muche, B. de Swaan, T.M. Starink, A.H. Cleven, M.H. Vermeer
Non-langerhanscelhistiocytose is een verzamelnaam van een heterogene groep ziekten waarbij proliferatie van de monocyt/macrofaag op de voorgrond staat. In deze ziektegeschiedenis worden een drietal casus van nonlangerhanscelhistiocytosen besproken.
Lipoatrofie ten gevolge van subcutane injecties met antisense oligonucleotiden als behandeling voor de ziekte van Duchenne
A.L. Nguyen, E.H. Niks, E.J. van Zuuren, R. van Doorn
Exon skippen is een nieuwe techniek, toegepast bij duchennespierdystrofie. Hierbij zijn antisense oligonucleotiden subcutaan toegediend om een getrunceerd, maar deels functioneel dystrofine eiwit te genereren. Injectieplaatsreacties zijn veelvoorkomende bijwerkingen na subcutane injecties met oligonucleotiden. Wij beschrijven hier een casus van een patiënt met de ziekte van Duchenne, die werd behandeld met antisense oligonucleotides. De plaatsen van de subcutane injecties met drisapersen waren aanvankelijk pijnlijk en erythemateus, waarna later op dezelfde plaatsen hyperpigmentatie, sclerose en forse subcutane lipoatrofie ontstond zonder tendens tot spontane verbetering na staken van de behandeling. Bij vijf andere patiënten met de ziekte van Duchenne, die ook in studieverband werden behandeld met drisapersen, was er tevens sprake van matig tot ernstige lipoatrofie ter plaatse van de injectieplaatsen. De pathofysiologie en het beloop van deze injectieplaatsreacties is nog onvoldoende opgehelderd.
M-proteïnen en de huid – necrobiotisch xanthogranuloom
C.C.P Haenen, C.J.Houtman, P.A. von dem Borne, R.E. Genders, M.H. Vermeer
Bij een monoklonale gammopathie (paraproteïnemie) is er sprake van een circulerend monoklonaal immunoglobuline (M-proteïne of paraproteïne) in het bloed, geproduceerd door een kloon plasmacellen. Het spectrum aan monoklonale gammopathieën omvat onder andere de monoklonale gammopathie van onbekende betekenis (MGUS, monoclonal gammopathy of undetermined significance), multipel myeloom en ziekte van Waldenström. Er zijn veel verschillende huidafwijkingen die gepaard gaan met de aanwezigheid van een M-proteïne. Deze casus beschrijft een van de huidafwijkingen met een sterke associatie met monoklonale gammopathie: het necrobiotisch xanthogranuloom. Het is van belang dat men bedacht is op de associatie tussen monoklonale gammopathie en huidafwijkingen, zodat gescreend kan worden op de aanwezigheid van een M-proteïne en zo nodig verwezen kan worden naar de hematoloog.
MBAITs en het BAP1-tumorpredispositiesyndroom
N.A. Ipenburg, E. Peters, R. van Doorn
Het BRCA1-associated protein-1 (BAP1)-geassocieerd tumorsyndroom is een recent gekarakteriseerd erfelijk tumorsyndroom, dat veroorzaakt wordt door een kiembaanmutatie in BAP1. Patiënten met een BAP1-kiembaanmutatie hebben een sterk verhoogd risico op ontwikkeling van cutaan melanoom, uveamelanoom, mesothelioom en niercelcarcinoom. Naast maligniteiten ontwikkelen zij ook frequent benigne cutane melanocytaire laesies, zogenoemde melanocytic BAP1- associated intradermal tumors (MBAITs). Wij presenteren een 23-jarige vrouw met multipele MBAITs. DNAsequentieanalyse in perifeer bloed toonde een pathogene mutatie in het BAP1-gen. Bij patiënte werd de diagnose BAP1-geassocieerd tumorsyndroom gesteld.
Mycobacterium chelonaeinfecties bij de immuun‑ gecompromitteerde patiënt
S.T.P Kouwenhoven, M.F. Benner, R. v Doorn, K.D.Quint
Wij presenteren een drietal casus met een Mycobacterium chelonae-infectie. Iedere casus heeft een andere klinische presentatie en een verschillende onderliggende immuundeficiëntie. Alle patiënten kregen een behandeling met een macrolide en quinolone antibioticum, waarop het klinisch beeld verbeterde.
Non-uremische calciphylaxis
M.S. van Kester, M. Mebius, C.C.P. Haenen, T.M. Starink, R. van Doorn, A.P.M. Lavrijsen
We beschrijven de casus van een 69-jarige man met zeer pijnlijke progressieve ulcera aan beide onderbenen zonder aanwijzingen voor arteriële insufficiëntie. Zowel het histologische onderzoek als de röntgenfoto’s van de benen gaven een beeld te zien dat kan passen bij een calciphylaxis. Calciphylaxis kan voorkomen zonder chronisch nierfalen. Er wordt dan gesproken van non-uremische calciphylaxis. Calciphylaxis zonder nierziekten als basisprobleem is zeldzaam maar kan worden gezien bij primaire hyperparathyreoïdie, maligniteit, auto-immuun ziekten, diabetes mellitus, alcoholische levercirrose, proteïne C- en S-deficiënties en medicamenteus. Zowel uremische als non-uremische calciphylaxis hebben een hoge morbiditeit en mortaliteit. De mortaliteit is naar schatting 80% na een jaar, met sepsis als meest voorkomende doodsoorzaak. Data over behandeling van nonuremische calciphylaxis zijn beperkt en het gebruik van natriumthiosulfaat wordt beschreven met wisselend succes. Daarnaast is het advies uitlokkende medicamenten zoals Vitamine K-antagonisten te staken.
PD-1 en TOX: nieuwe diagnostische markers in cutane T-cellymfomen
F. Teunissen-Çetinözman, A.M. Schrader, P.Jansen, M.H. Vermeer, R.Willemze
Recente studies tonen aan dat onderzoek naar de expressie van programmed death-1 (PD-1) en thymocyte selection-associated high mobility group box protein (TOX) een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het vaak moeilijke onderscheid tussen de vroege stadia van mycosis fungoides (MF) en sézarysyndroom (SS) en reactieve huidaandoeningen. Sterke expressie van zowel PD-1 als TOX wordt gevonden in circa 90% van de huidbiopten van patiënten met SS, en slechts bij uitzondering in huidbiopten van patiënten met een benigne (erytrodermatische) dermatose. Sterke expressie van TOX wordt ook gezien in respectievelijk 80% en 94% van de huidbiopten van patiënten met een vroeg of laat stadium van MF, terwijl PD-1 slechts in een klein deel van de
huidbiopten van patiënten met MF tot expressie komt. Onderzoek bij andere typen cutaan T-cellymfoom toonde een sterke expressie van zowel PD-1 als TOX op verspreid voorkomende (middel)grote CD4+ -T-cellen bij patiënten met een primair cutane CD4+ klein/middelgrootcellige T-celproliferatie, hetgeen in de praktijk een waardevol hulpmiddel is bij het stellen van deze diagnose.
Poikilodermie, calcinosis cutis en skeletafwijkingen: het rothmund-thomsonsydroom
K.M. Mulder, M.L. Grijsen, M.C. van Rij, S.G. Kant, R. van Doorn
Wij beschrijven een patiënt met het ontstaan van poikilodermie, skeletafwijkingen, calcinosis cutis en osteoma cutis vanaf de kinderleeftijd. Op volwassen leeftijd werd de diagnose rothmund-thomsonsyndroom (RTS) gesteld. Het RTS is een zeldzame, autosomaal recessief overervende genodermatose. In circa 66% van de gevallen kunnen mutaties in het RECQL4-helicasegen worden aangetoond. Klinische kenmerken bestaan uit poikiloderma, fotosensitiviteit, cataract, bot- en gebitsafwijkingen, een klein gestalte en een verhoogd risico op huid- en botmaligniteiten. Opvallende bevinding bij onze patiënt was de ontwikkeling van cutane osteomen op 4-jarige leeftijd. Bovendien werd bij hem op 35-jarige leeftijd hodgkinlymfoom geconstateerd. Omwille van het verhoogde risico op huid- en botmaligniteiten is vroege multidisciplinaire screening van belang.
Progressie van mycosis fungoïdes onder biologicals
S.E. Boonk, R. van Doorn, E.J. van Zuuren, M.H. Vermeer
Een 46-jarige vrouw met sinds vijf jaar bestaande huidafwijkingen werd onder de diagnose psoriasis vulgaris behandeld met achtereenvolgens adalimumab en daarna ustekinumab, waarop binnen zes maanden progressie van het huidbeeld ontstond met tumorvorming. Afgenomen biopten van huidtumoren en revisie van eerder afgenomen histologie van plaques toonden beide het beeld van een mycosis fungoïdes. De snelle progressie van de ziekte tijdens de behandeling met adalimumab en ustekinumab suggereert dat deze immuunsuppressieve therapie een rol heeft gespeeld bij de progressie van haar mycosis fungoïdes.
Segmentale naevus spilus: gevaarlijker dan gedacht?
C.A. Bambach, M.C.T. Boot-Bloemen, W.J.A. de Kort, L.M.T. van der Spek-Keijser, N.A. Kukutsch
Grote segmentale naevi spili (NS) zijn zeer zeldzaam. Het risico op melanoom voor dit type NS is onbekend en richtlijnen ten aanzien van follow-up ontbreken. In dit artikel beschrijven wij vijf patiënten met een segmentale NS groter dan 20 cm, die zich hebben gepresenteerd op de afdeling Huidziekten in het Leids Universitair Medisch Centrum. Hun klinische gegevens evenals follow-updata werden verzameld. Daarnaast werd een analyse van de beschikbare literatuur verricht. Bij drie van onze patiënten ontwikkelden zich in totaal vijf melanomen, zowel binnen als buiten de NS. In de literatuur vonden wij nog elf gevallen van melanoom bij patiënten met segmentale NS. Onze bevindingen suggereren een verhoogd risico op het ontwikkelen van melanoom bij patiënten met segmentale NS. Vanwege het ontbreken van de richtlijnen voor het management van NS adviseren wij om patiënten met segmentale NS ten minste twee keer per jaar poliklinisch te controleren met behulp van gedetailleerde fotografie en patiëntinstructies ten aanzien van zelfinspectie om veranderingen zo vroeg mogelijk te detecteren.
Stralingsbijwerkingen targeted therapy
L.J. Secker, E.J. van Zuuren, R. van Doorn
De laatste jaren is er binnen de oncologie een toename in het aantal beschikbare doelgerichte remmers van oncogene eiwitten en kinases, de zogenoemde targeted therapies. Cutane bijwerkingen behoren tot de meest voorkomende bijwerkingen bij veel van deze targeted therapies en kunnen een reden zijn voor het verlagen van de dosering of zelfs het staken van de behandeling. Er zijn inmiddels tientallen van deze nieuwe geneesmiddelen geregistreerd en getest op werkzaamheid bij een scala aan maligne ziekten. De verschillende klassen van targeted therapies lokken een verscheidenheid aan cutane bijwerkingen uit door hun directe effect op keratinocyten en andere celtypen van de huid. Door de snelle ontwikkeling van deze nieuwe medicijnen zullen veel dermatologen nog niet bekend zijn met de ontstaansmechanismen en diversiteit van cutane bijwerkingen bij targeted therapies. Wij bespreken in dit artikel twee casus met verschillende door straling geïnduceerde cutane bijwerkingen van targeted therapy; een radiation recall dermatitis bij
sorafenib en een fototoxische reactie bij vandetanib.
Ureum uit het basispakket
Bert Oosting
Artikel in PDF Er wordt veel geknaagd aan het basispakket. Begrijpelijk, want de kosten in…
Ach dokter, zegt u het maar, u hebt ervoor doorgeleerd
K-P. de Roos
Artikel in PDF “Optimaal werken in een hoogrisico-omgeving gaat beter in een Just Culture zegt…
Allergie bij flebologische patiënten
M. Kleipool, E.M. de Boer, T. Rustemeyer
Deze studie geeft een samenvatting van de literatuur over contactallergie bij flebologische patiënten. Contactallergie wordt bij de helft tot driekwart van alle patiënten met stasis eczeem en/of ulcus cruris gevonden, veelal voor meerdere stoffen. Herhaalde blootstelling, vaak onder occlusie, bij chronische inflammatie speelt vermoedelijk een rol. Positieve plakproefreacties treden bij deze patiëntgroep vaker op dan in de algemene bevolking voor onder andere perubalsem tot wel 50%, parfumgrondstoffen meer dan 25%, propolis tot 5%, voor rubberbestanddelen tot 20% en voor diverse conserveermiddelen. Specifieker gerelateerd aan flebologische behandelingen zijn allergie voor antiseptica, met name povidonjodium en chloorhexidine tot in een derde van alle patiënten met een ulcus. Op zalfbestanddelen, met name wolalcoholen reageert tot meer dan een derde van alle patiënten. Op moderne wondbedekkers treden vaker dan eerder gedacht allergische reacties op tot in een kwart van alle patiënten met een ulcus, met als voornaamste allergenen (gemodificeerd) colofonium, propyleenglycol, carboxymethylcellulose en acrylaten in onder andere hydogels, hydocolloïden en folies. Omdat ingrediëntendeclaratie voor wondbedekkers vrijwel steeds ontbreekt is onderzoek moeilijk. Er is sterke regionale variatie in prevalentie van sensibilisatie voor de verschillende allergenen. Voor therapeutische elastische kousen is allergie zeldzaam nu elastan en kunstvezels worden toegepast in plaats van rubber. Wij adviseren om bekende allergenen te mijden bij de behandeling van patiënten met stasis eczeem en ulcera en bij vertraagde respons op therapie direct plakproeven te verrichten met de Europese basale reeks, aangevuld met een speciaal aan de Nederlandse situatie aangepaste ‘benenreeks’. Ingrediëntendeclaratie van wondbedekkers zou verplicht moeten zijn.
Dermascopie
K.R. Haemers, A.P.M. Lavrijsen, N.A. Kukutsch
Artikel in PDF De afgelopen jaren hebben we het hele spectrum van de dermatoscopie, variërend…
Een asymptomatische huidafwijking op de wang
N.A.M. Hendrix, L.C.D. Wijnaendts, E.A. Schilderman, V.C.M. Koot
Wij presenteren een 16-jarige jongen met een asymptomatische, rode, annulair vormige plaque bestaande uit papels en hyperkeratose met een atrofisch centrum op de linkerwang. Op basis van dit klinisch beeld en de histologie stellen wij de diagnose elastosis perforans serpiginosa (EPS). EPS is een zeldzaam fenomeen en wordt gekenmerkt door transepidermale eliminatie van abnormale elastinevezels. Er bestaat een associatie met systemische bindweefselafwijkingen. Diverse behandelingsmethoden zijn beschreven met variërende resultaten.
Een groeiende zwelling op de hand
N.A.M. Ramakers, C. Wetzels-van der Velden, M.R.T.M. Thissen
Een 56-jarige dame presenteert zich met een myopericytoom op de linkerhandrug. Het myopericytoom is een solitair groeiende pijnloze benigne tumor die klinisch doet denken aan een plaveiselcelcarcinoom, keratoacanthoom, lymfoom en granuloma pyogenicum. Volledige chirurgische excisie heeft de voorkeur. Vanwege de incidenteel beschreven maligne ontaarding kan follow-up overwogen worden.
European Society for the History of Dermatology and Venereology
A. Glastra
Artikel in PDF The European Society for the History of Dermatology and Venereology (ESHDV) was…
Hangende oogleden vanaf de adolescentie
R. Horlings, F.G. Junoy Montolio
Een 21-jarige man is bekend met intermitterende, repeterende perioden van oedemateuze bovenoogleden, waarbij de huid toenemend gaat hangen (hyperlaxiteit) en atrofisch wordt. Deze klinische kenmerken in de adolescentieperiode zijn kenmerkend voor het zeldzame blefarochalasissyndroom. Bij dit syndroom veroorzaken recidiverende, idiopathische oedeemaanvallen rek op de levator aponeurosis aan de tarsus. Er is geen goede medicamenteuze behandeling. De frequentie van de aanvallen nemen af met het ouder worden. Chirurgische ptosiscorrectie kan worden overwogen na een aanvalsvrij interval van minimaal zes maanden.