Dit onderdeel wordt maandelijks aangevuld bij het verschijnen van het nieuwe NTvDV-nummer.
Indien je een specifiek artikel zoekt dat niet online beschikbaar is, kan je contact opnemen met secretariaat@nvdv.nl.
- Kennisagenda
- NTvDV
- Zoek een artikel
- Actuele projecten
Zoek een artikel
Dermatofyten in revisie
S. de Hoog
De taxonomie van huidschimmels (dermatofyten, familie Arthrodermataceae) was traditioneel gebaseerd op de morfologie van conidiën, maar deze techniek is nu vervangen door moleculaire fylogenie. Deze data komen in grote lijn overeen met de veronderstelde evolutie van dermatofyten. In het routinediagnostiek kunnen dezelfde genusnamen worden gebruikt.
Diagnostiek in de dermatologie
A.P.M. Lavrijsen
Diagnostiek is inzetbaar bij frequent voorkomende en bij bedreigende huidinfecties met schimmels, bacteriën, virussen en parasieten en ook bij een breed scala van nietinfectieuze huidaandoeningen. Het omvat een aantal eenvoudige, snelle en goedkope diagnostische technieken, die weinig benodigdheden vereisen en door de dermatoloog op de polikliniek kunnen worden toegepast. Hierdoor is de dermatoloog minder afhankelijk van ziekenhuisfaciliteiten en is de zorg patiëntvriendelijker en efficiënter. Het resultaat is afhankelijk van de afname van het materiaal, het
maken van de preparaten en de ervaring van de beoordelaar. De waarde van diagnostiek bij frequent voorkomende toepassingen is goed onderzocht. Kennis van de beperkingen van deze technieken is relevant. Diagnostiek kan aanvullend microbieel onderzoek of histologisch onderzoek niet vervangen.
Endotypes in constitutioneel eczeem
J.L. Thijs
Constitutioneel eczeem (CE) is een complexe, chronisch, inflammatoire huidaandoening, met een zeer heterogene klinische presentatie.
Geriatrische dermato-oncologie - Handvatten voor een adequate behandelafweging
S.F.K. Lubeek
Een gedegen en weloverwogen behandelbesluit nemen bij kwetsbare ouderen met laagrisicohuidmaligniteiten kan in de praktijk best een uitdaging zijn. Een optimale balans tussen onder- en overbehandeling met voldoende aandacht voor de hulpvraag, waarden en behandeldoelen van de patiënt dienen hierbij nagestreefd te worden. In dit artikel worden een aantal handvatten geboden om behandelaars ondersteuning te bieden bij deze behandelafwegingen.
Herpes zoster - News for daily clinical practice
S.M. Langan
Herpes zoster is an important disease resulting from reactivation of latent varicella zoster virus decades after childhood varicella. Zoster is associated with substantial morbidity, in particular prolonged pain, known as postherpetic neuralgia. A live attenuated zoster vaccine has been introduced into clinical practice in the US, the UK and other countries. In phase 3 trials, this vaccine reduced incident zoster by 51% and post herpetic neuralgia by 67% with similar effectiveness in real world settings. However, this vaccine is limited by waning efficacy over time and by its use being contraindicated in severely immunosuppressed individuals who are at greatest risk of both zoster and complications following zoster. The development of a new highly efficacious recombinant subunit zoster vaccine which may be useful for immunosuppressed individuals is an important development with public health consequences for countries with ageing populations.
Infecties van de neonaat
M.A. Middelkamp Hup
Een neonaat is een pasgeboren baby tot dertig dagen oud. Net als bij grotere kinderen en volwassenen, kunnen bij neonaten huidinfecties bacterieel, viraal, mycotisch of parasitair van aard zijn. Bij de neonaat is de presentatie soms anders dan bij grotere kinderen of volwassenen en kunnen infecties een ander beloop vertonen. Non-bulleuze en bulleuze impetigo, staphylococcal scalded skin syndrome (SSSS), neonatale herpes, congenitale en neonatale candida-infecties en neonatale scabiës worden besproken.
Ingenolmebutaat bij actinische keratosen
M.H.E. Jansen, J.P.H.M. Kessels, P.J. Nelemans, B.A. Essers, N.W.J. Kelleners-Smeets, K. Mosterd
Tot op heden is er geen consensus over de behandeling van actinische keratose (AK). In de huidige nationale en internationale richtlijnen wordt geen therapie van eerste keus aangegeven. Om te bepalen welke behandeling het meest effectief is in termen van laesiereductie, kosten en patiënttevredenheid, wordt momenteel een prospectief gerandomiseerd multicenter onderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt behandeling met 0,015% ingenol mebutate gel, 5% 5-fluorouracil crème, 5% imiquimod crème en fotodynamische therapie bij de behandeling van AK in het hoofd-halsgebied
met elkaar vergeleken. Patiënten ouder dan 18 jaar, met fitzpatrickhuidtype I-IV, met 5 AK’s olsenklasse I-III, binnen een gebied van minimaal 25 cm2 en maximaal 100 cm2, werden geïncludeerd. In totaal werden er 624 patiënten geïncludeerd op de afdelingen Dermatologie van het Maastricht Universitair Medisch Centrum, Catharina Ziekenhuis Eindhoven, Zuyderland Medisch Centrum Heerlen en VieCuri Medisch Centrum Venlo. De primaire uitkomstmaat is behandelsucces 12 maanden na het einde van de behandeling. Behandelsucces is gedefinieerd als de proportie patiënten met ≥ 75% reductie van het aantal AK’s ten opzichte van baseline. Secundaire uitkomstmaten zijn onder andere het behandelsucces 3 maanden na het einde van de behandeling, bijwerkingen, cosmetisch resultaat, patiënttevredenheid, therapietrouw en kosteneffectiviteit. Tijdens de Dermatologendagen zullen de resultaten van het behandelsucces na drie maanden worden gepresenteerd.
Methotrexaat versus azathioprine - Bij patiënten met atopische dermatitis
E. Roekevisch
Langetermijngegevens van methotrexaat (MTX) en azathioprine (AZA) bij atopische dermatitis (AD) ontbreken.
Mohschirurgie in Nederland: afspraken
J.B. Terra
Mohschirurgie wordt sinds de jaren negentig toegepast in Nederland en is een effectieve behandeling voor hoogrisicobasaalcelcarcinomen in het gelaat, T1- en T2-plaveiselcelcarcinomen op locaties waar weefselsparend werken gewenst is, en voor zeldzamere huidtumoren met subklinische uitbreiding (bijvoorbeeld dermatofibrosarcoma protuberans, atypisch fibroxanthoom en microcysteus adnexcarcinoom).
Non-scarring alopecia - Diagnosis and treatment
R. Grimalt
Alopecia is a common concern encountered in the medical practice. Treatment approach varies according to the type and severity of alopecia. However, available treatment options have limited efficacy and several adverse effects. Presently, there are different treatment options being studied to overcome these limitations. Additionally, cellular pathways involved in the pathophysiology of alopecia are further being clarified to potentially target pathogenic molecules.
We searched the literature for recently published articles discussing new treatment options as well as mechanisms involved in alopecia. We discuss the use of stem cells, growth factors, cellular pathways, robotic hair transplant, amongst other emerging therapies used for alopecia. Future looks very promising and new effective treatments such as janus kinase inhibitors could possibly be available for alopecia areata .The stem cell technology is advancing and companies involved in hair follicle neogenesis are starting clinical trials on patients with androgenetic alopecia.
Plaveiselcelcarcinoom in het hoofd-halsgebied - Standaardexcisie versus Mohs micrografische chirurgie
L. van Lee, T. Nijsten, H. de Vijlder, M. Wakkee, R. van den Bos
Er is weinig wetenschappelijke bewijsvoering over het verschil in recidieven na standaardexcisie en Mohs micrografische chirurgie (MMC) van het cutaan plaveiselcelcarcinoom. Uit ons retrospectief vergelijkend cohortonderzoek bij 672 patiënten blijkt dat MMC tot minder recidieven leidt dan een radicale standaardexcisie (3% vs. 8%) na een mediane follow-up van 5 jaar. Verder valt op dat een aanzienlijk deel van de recidieven ontstaat tussen 2 en 5
jaar follow-up. De eerste uitkomsten van ons prospectief multicentrisch cohortonderzoek laten zien dat ca. 15% van de standaardexcisies niet radicaal is of een histologische marge < 2 mm heeft. Op basis van onze studieresultaten lijkt MMC de eerstekeusbehandeling voor plaveiselcelcarcinomen in het hoofd-halsgebied.
Systeemtherapie voor melanoom - Snelle, nieuwe ontwikkelingen
R.H.T. Koornstra
In de laatste jaren zijn de ontwikkelingen in de behandeling van melanoom razendsnel gegaan. Melanoom is een maligniteit met een zeer snelle toename in incidentie. De behandeling van keuze is chirurgische resectie van lokale ziekte. Echter bij aangedane lymfeklieren is er een groot risico op
lokaal recidief en/ of metastasen op afstand. De prognose van het gemetastaseerd melanoom was tot voor kort somber. Er zijn echter veelbelovende nieuwe ontwikkelingen, met de registratie van ten minste acht nieuwe middelen sinds 2011.
De helft van de melanoompatiënten heeft een activerende BRAF-mutatie. Hierdoor is een doelgerichte behandeling met een combinatie van een BRAF-remmer en een MEKremmer mogelijk. Op dit moment zijn de BRAF/MEK- remmercombinaties dabrafenib-trametinib en vemurafenib-cobimetinib geregistreerd voor patiënten met een BRAF-V600E- of BRAFV600K-gemuteerd gemetastaseerd melanoom. Immunotherapie heeft weliswaar een fraaie responskans en heeft aangetoond een langdurige overleving voor gemetastaseerd melanoom te kunnen geven, echter het duurt enige tijd alvorens effect optreedt. Echter een belangrijk deel van de patiënten heeft geen baat bij de behandeling. Door de snelle ontwikkelingen is het mogelijk geworden om het doel van behandelen steeds meer te richten op het overwinnen van resistentie of snelle klinische progressie. Hiervoor wordt gepoogd de inzet van geregistreerde middelen naar voor te halen in het behandeltraject, er worden studies gedaan met nieuwe combinaties van medicatie en er is aandacht voor de sequentie van alle bekende en nieuwe therapieën.
Trichoscopie
P.K. Dikrama
Trichoscopie is de beoordeling van scalp en haar bij haarziekten met een dermatoscoop. Wanneer men de dermatoscoop als diagnosticum bij haarziekten leert te gebruiken, zal de diagnostische accuratesse toenemen en ander aanvullend onderzoek afnemen. Trichoscopie kan bovendien worden gebruikt om de ziekteactiviteit te bepalen en het effect van therapie te monitoren.
Voorstadia van anuscarcinoom - Opgespoord met hogeresolutieanoscopie
H. de Vries
De incidentie van anuscarcinoom is de laatste decennia aanzienlijk toegenomen en wordt hoofdzakelijk gevonden onder hiv-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM). Voorstadia van anuscarcinoom, anale intra-epitheliale neoplasie (AIN), kunnen met hogeresolutieanoscopie (HRA)
vroegtijdig worden opgespoord en zo nodig behandeld. Met de toegenomen levensverwachting van hiv-patiënten zal de behoefte aan HRA toenemen. Dermatologen zijn bij uitstek toegerust om HRA uit te voeren. Naast ervaring in het verrichten van anoscopie, is de visuele expertise bij de beoordeling van huidafwijkingen een pre bij de beoordeling van de vaak subtiele AIN-laesies. Hiervoor moeten de komende jaren wel collega’s worden getraind in het verrichten van HRA. Knelpunten in de verdere uitrol van HRA-diagnostiek zijn: 1) efficiënte selectie van patiënten die HRA dienen te ondergaan, 2) training van HRA-anoscopisten, en 3) nieuwe behandelopties voor patiënten met hooggradige AIN. In dit stuk wordt nader ingegaan op deze drie punten.
De anuscarcinoomincidentie onder MSM zou in de toekomst drastisch kunnen worden teruggebracht wanneer genderneutrale profylactische HPV-vaccinatie wordt ingevoerd. Omdat hiv-positieve MSM het vaakst getroffen worden door anuscarcinoom en niet meeprofiteren van de kudde-immuniteit via gevaccineerde meisjes, zou het vaccineren van jongens en mannen een uitkomst kunnen bieden in het voorkómen van anuscarcinoom in toekomstige generaties.
Vulvaire lichen sclerosus en lichen planus - Wat zijn de verschillen?
C. van Hees
Vulvaire lichen sclerosus (LS) en lichen planus (LP) kunnen moeilijk te onderscheiden zijn (figuur 1).
Vulvaire morbus Paget Behandeling met imiquimod
T. Smits
Daglicht-fotodynamische therapie (DL-PDT) is een tamelijk nieuwe therapie bij de behandeling van actinische keratosen en actinische veldveranderingen. In dit artikel worden de eerste 1-jaars follow-upresultaten en succesbepalende variabelen besproken. Tevens wordt de behandeling vergeleken met de conventionele PDT-behandeling met enkele adviezen met betrekking tot de plaatsbepaling in het huidige behandelarsenaal.
Allergische reacties op prothesen en implantaten
N.P.J. de Graaf, T. Rustemeyer
De prevalentie van een allergie voor nikkel, chroom of kobalt varieert in de Europese bevolking van 11,9 tot 25,2% voor nikkel, 1,7 tot 9,5% voor chroom en 4,8 tot 13,6% voor kobalt.
Atypische presentaties van contactallergie
O. Aerts
Een contactallergie uit zich meestal als een klassiek, vesiculeus eczeem. Echter, vele variaties zijn mogelijk op dit thema (bulleus, chronisch gelichenificeerd, folliculair, seborroïsch, nummulair, enz.). Bovendien kan een contactallergie zich, zowel klinisch als histologisch, ook niet-eczemateus presenteren, hetgeen de clinicus op het verkeerde been kan zetten. In dit overzicht bespreken we achtereenvolgens: gepigmenteerde en gedepigmenteerde, purpurische, lichenoïde, erythema multiformeachtige, lymfomatoïde, granulomateuze, pustuleuze en enkele zeldzame presentaties van contactallergie; de meest belangrijke, oorzakelijke contactallergenen per subtype worden daarbij benadrukt.
Contactallergie: what’s new?
A. Goossens
In dit artikel worden recent gerapporteerde nieuwe allergenen en/of nieuwe bronnen van bekende allergenen besproken, met name metalen, harsen, rubber-toevoegstoffen, conserveermiddelen/biociden, parfumcomponenten, natuurlijke producten en topische geneesmiddelen.
First things first: het prepatchproces
S. Kerre
De diagnose van een allergische contactdermatitis is gebaseerd op een aantal stappen; klinisch onderzoek, anamnese, patchtesten, de relevantie hiervan en het effect van vermijden van het allergeen. Idealiter is er een beeld van een contacteczeem, is er een duidelijke anamnese van een contactfactor, zijn er positieve patchtesten die relevant zijn en leidt vermijden van het/de allerge(e)nen tot verdwijnen van de contactdermatitis. In deze tekst wordt er verder ingegaan op de aanpak en valkuilen bij klinisch onderzoek en anamnese.