P.K. Dikrama
Jaargang 2018
, volume 3
Trichoscopie is de beoordeling van scalp en haar bij haarziekten met een dermatoscoop. Wanneer men de dermatoscoop als diagnosticum bij haarziekten leert te gebruiken, zal de diagnostische accuratesse toenemen en ander aanvullend onderzoek afnemen. Trichoscopie kan bovendien worden gebruikt om de ziekteactiviteit te bepalen en het effect van therapie te monitoren.
Dermatoscopie is niet meer uit de dermatologie weg te denken. Trichoscopie daarentegen, de beoordeling van haar en scalp bij haarziekten met een dermatoscoop (vergroting 10-70x), is een term die pas in 2006 werd geïntroduceerd en nog minder bekendheid geniet. Wanneer men de dermatoscoop ook als diagnosticum bij haarziekten leert te gebruiken, zal de diagnostische accuratesse vooral in vroegere stadia van haarziekten toenemen, terwijl andere diagnostiek (zoals haarwortelstatus, histopathologisch en microbiologisch onderzoek) zal afnemen. In de praktijk kunt u bij patiënten met haarziekten een zevenstappenplan (tabel 1) volgen, waarbij door het toepassen van trichoscopie het aanvullende onderzoek van stap 5 mogelijk overgeslagen kan worden. Trichoscopie kan niet alleen worden toegepast als diagnosticum, maar in sommige gevallen ook om de ziekteactiviteit en het effect van behandeling te bepalen. In dit artikel zal het principe van trichoscopie aan de hand van enkele cicatritiële en nietcicatritiële vormen van alopecie worden geïllustreerd. Tijdens de presentatie zal de clinico-trichoscopische correlatie aan bod komen. Het voert te ver om alle mogelijke trichoscopische kenmerken bij haarziekten te bespreken. Het primaire doel is u te enthousiasmeren, om uw dermatoscoop óók bij haarziekten te gebruiken. In het Erasmus MC wordt trichoscopie inmiddels standaard bij haarziekten toegepast.
Wat is normaal?
Bij trichoscopie kunnen de volgende structuren beoordeeld worden: haarschacht, dots, de (peri)folliculaire huid en de bloedvaten. De term dots refereert naar haarfollikelopeningen. Zwarte dots zijn bijvoorbeeld resten van afgebroken of gedestrueerde haren, gele dots zijn follikelopeningen gevuld met keratine en/of sebum en witte dots wijzen op fibrose. Om met trichoscopie te beoordelen of er sprake is van een haarziekte, is het ook van belang om te weten wat normaal is. Normale terminale haren zijn meestal dikker dan 55 μm (vertaald met de handdermatoscoop zijn dit de dikke haren) en uniform in dikte, kleur en vorm. Minder dan 20% van de haren mag dunner zijn. Normaliter steken er twee tot drie haren uit één follikelopening en het percentage follikelopeningen met een enkele haar is minder dan 30%. Van tufting wordt pas gesproken als er vijf of meer haren uit één follikelopening steken, waarbij kleine tufts van vijf tot zeven haren bijvoorbeeld gezien kunnen worden bij lichen planopilaris (LPP) en grote tufts van tien of meer haren gezien kunnen worden bij folliculitis decalvans (FD). Het percentage haarfollikels met vier of meer haren is minder dan 5%.
Trichoscopie bij niet-cicatritiële alopecie
Alopecia Areata (AA)
Trichoscopische kenmerken voor AA zijn: regulair gedistribueerde gele dots, uitroeptekenharen, zwarte dots, afgebroken haren, vellusharen en haar- hergroei met rechtopstaande of gekrulde haren. Het trichoscopische beeld is afhankelijk van de ziekteactiviteit. In tabel 2 zijn de trichoscopische kenmerken onderverdeeld in actieve, inactieve AA en AA waarbij de haren teruggroeien. Trichoscopie kan bij AA dus zowel gebruikt worden als diagnosticum, als prognosticum.
Alopecia androgenetica
Het centrale kenmerk bij alopecia androgenetica is miniaturisatie waarbij de haren dunner worden, korter worden, er minder haren per folliculaire unit komen, de haren involueren tot vellusharen en helemaal kunnen verdwijnen. Bij trichoscopie wordt dan ook heterogeniteit in haardikte met meerdere dunne en vellusharen, lonely hairs(één haar per follikelopening), gele dots, krulhaar en honingraadpigmentatie door toegenomen zonblootstelling gezien. Wees er bedacht op dat een groot deel van de bevolking deze vorm van haaruitval krijgt en dat dit dus ook vaker gepaard kan gaan met andere haarziekten.
Trichoscopie bij cicatritiële alopecie
Lichen planopilaris
Bij trichoscopie van een actieve LPP staan tekenen van inflammatie op de voorgrond: perifolliculaire (tubulaire) schilfering en keratose, (perifolliculair) livide verkleuring/erytheem en verlengde lineaire, vaak concentrisch gelegen bloedvaten rondom de follikel. Bij trichoscopie van een inactieve LPP staan tekenen van fibrose op de voorgrond: irregulaire grote witte dots, witte gebieden, melkrode gebieden en tufting (5-7 haren). In tabel 3 staan de trichoscopische kenmerken van actieve en inactieve LPP vermeld.
Folliculitis devalcans
FD komt hoofdzakelijk voor op de vertex en occipitaal. Bij trichoscopie is het centrale kenmerk tufting, waarbij er per follikelopening vijf tot twintig haren uitsteken. De tufts ontstaan door clustering van aanliggende folliculaire units door fibrose en retentie van telogene haren in de follikels. In de actieve fase wordt de ziekte gekenmerkt door gele folliculiare pustels, gele tubulaire schilfering, hemorragische crustae, tufting met meer dan vijf haren per follikelopening en perifolliculaire keratose in ’starburst patroon’ (tabel 4). In een laat stadium ontbreken de haren, verdwijnen de follikels en is de hoofdhuid wit eventueel in combinatie met rode gebieden. In tabel 5 zijn tot slot van de top 10 meest voorkomende haarziekten met haaruitval waarvoor de dermatoloog wordt geconsulteerd, de trichoscopische kenmerken weergegeven.
Correspondentieadres
Petra Dikrama
E-mail: p.dikrama@erasmusmc.nl