Dit onderdeel wordt maandelijks aangevuld bij het verschijnen van het nieuwe NTvDV-nummer.
Indien je een specifiek artikel zoekt dat niet online beschikbaar is, kan je contact opnemen met secretariaat@nvdv.nl.
- Kennisagenda
- NTvDV
- Zoek een artikel
- Actuele projecten
Zoek een artikel
In memoriam - Ernst Stolz: gedreven en onbevreesd
H.E. Menke
Artikel in PDF H.E. Menke Ernst Stolz (Soerabaja, 1939), voormalig hoogleraar dermatologie in Rotterdam, is…
Een infantiel hemangioom herken je zo
M. de Graaf
Infantiele hemangiomen (IH) hebben een karakteristiek beloop en de diagnose wordt veelal gesteld op basis van de kliniek. Desalniettemin is het soms lastig de diagnose te stellen. Een zorgvuldige anamnese en lichamelijk onderzoek kunnen helpen bij het differentiëren tussen een IH en andere vasculaire afwijkingen bij het jonge kind. Soms is verwijzing naar een expertisecentrum nodig. Aan de hand van vier casus, waarbij initieel werd gedacht aan een IH, wordt geïllustreerd hoe een vasculaire afwijking bij een jong kind kan worden onderscheiden van een IH.
Perineale groeve
L.B.E. Kienhorst, A.M.T. van Lynden-van Nes, M. de Graaf
Een perineale groeve, ofwel perineale goot, is een congenitale malformatie die gekenmerkt wordt door een groeveachtige erythemateuze mucosale laesie in het genitale gebied. In dit artikel beschrijven we 3 patiënten met een perineale groeve, waarbij de diagnose initieel gemist werd. De patiënten werden verwezen naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Een overzicht wordt gegeven van de 34 casus (inclusief onze 3 casus), beschreven in de literatuur. Betere herkenning van een perineale groeve kan leiden tot een vroege diagnose en een juist beleid. In de meeste gevallen geeft een perineale groeve geen klachten en is een afwachtend beleid gerechtvaardigd. Spontaan herstel lijkt niet vaak op te treden. Daarom kan, in het geval van klachten, vroege chirurgische interventie worden overwogen.
Self-healing collodion baby: een nieuwe mutatie
C.J. de Jonge, J.J. van der Smagt, M.E. van Gijn, M. de Graaf
We presenteren een casus vaneen collodion baby, geboren uit consanguiene ouders. Na enkele weken verdween het collodion membraan en bleek er slechts sprake van een milde xerosis cutis. Genetisch onderzoek toonde een homozygote mutatie in het TGM1-gen die in de literatuur nog niet eerder beschreven is als oorzaak van een self-healing collodion, maar wel in twee zusjes met een lamellaire ichthyosis. Dit inzicht verschaft nieuwe informatie over het genetische spectrum van self-healing/self-improving collodion baby’s en draagt bij aan het verbeteren van de informatievoorziening over de prognose van toekomstige collodion baby’s met deze mutatie.
Twee zuigelingen met een zwelling op het hoofd
F.C. van Erp, M. de Graaf
Twee zuigelingen werden verwezen naar de polikliniek Dermatologie in verband met een zwelling van de scalp. Op basis van het klinisch beeld en aanvullend echografisch onderzoek stelden wij de diagnose (congenitaal) lipoedeem van de scalp met of zonder alopecie. Lipoedeem van de scalp is een zeldzame, goedaardige aandoening die gepaard kan gaan met alopecie. Er is sprake van toegenomen subcutaan vetweefsel en oedeem, de precieze pathogenese is echter onbekend. De behandelopties zijn beperkt, maar behandeling is ook niet altijd nodig gezien het relatief milde beloop.
Behandeling van patiënten met chronische urticaria met omalizumab
L.S. Spekhorst, J.M.P.A. van den Reek, A. C. Knulst, H. Röckmann
Verscheidene studies hebben aangetoond dat omalizumab effectief is voor het behandelen van chronische urticaria (CU). Echter, langetermijndata, specifiek drug-survivalstudies, voor effectiviteit en veiligheid van omalizumab bij patiënten met CU in de dagelijkse praktijk ontbreken. Het doel van deze studie was het evalueren van de drug survival van omalizumab in een groot CU-cohort in de dagelijkse praktijk. Tevens werd getracht determinanten te identificeren voor de overall drug survival en drug survival per reden van stoppen. Data werden geëxtraheerd uit een prospectief cohort (februari 2012 tot februari 2018) van CU-patiënten die behandeld werden met omalizumab in het UMC Utrecht. Drug survival werd geanalyseerd met behulp van de Kaplan-overlevingscurve. Determinanten voor drug survival werden geïdentificeerd door univariate en multivariate Cox-regressieanalyse. In totaal werden 142 patiënten (71% vrouw, gemiddelde leeftijd 42 jaar) met een maximale behandelingsduur van 4,7 jaar (209 actieve behandelingsjaren) geïncludeerd. De drug-survivalpercentages voor omalizumab waren 77%, 61% en 55% na respectievelijk 1, 2 en 3 jaar, en werden voornamelijk bepaald door goed
gecontroleerde ziekte. Weinig patiënten stopten de behandeling vanwege ineffectiviteit en/of bijwerkingen. Chronische induceerbare urticaria (CindU), zowel als hoofd- en als bijkomende diagnose, was geassocieerd met langere overall drug survival en langere drug survival gerelateerd aan goed gecontroleerde ziekte.
Ernstige urticaria solaris
W.O. van Seggelen, A.C. Knulst, V. Sigurdsson, H. Röckmann
Een 37-jarige vrouw werd verwezen naar de polikliniek Dermatologie in verband met sinds vier maanden bestaande fors jeukende uitslag na zonblootstelling. Op basis van het klinisch beeld en aanvullend onderzoek stelden wij de diagnose urticaria solaris. Urticaria solaris is een zeldzame fotodermatose en subtype van chronisch induceerbare urticaria met veel invloed op de kwaliteit van leven. De behandeling bestaat uit hoge dosering antihistaminica en lichtgewenning, echter was dit niet effectief bij onze casus. We zijn vervolgens gestart met omalizumab 300 mg per 4 weken met een goede klinische respons, die bevestigd werd met lichtdiagnostiek.
Standpunt geregistreerde en niet-geregistreerde fumaraten
Domeingroep Inflammatoire dermatosen
Artikel in PDF Advies voor keuze voor behandeling bij patiënten met psoriasis: de werkgroep is…
Op weg naar een Consortium Dermatologie
M. Seyger, C. van Hees, A. van Enst
Artikel in PDF M. Seyger, C. van Hees, A. van Enst Het bestuur van de…
Eczeemzorg en eczeemonderzoek in het UMC Utrecht anno 2019
M.S. de Bruin-Weller, F. van Wijk
De afdeling Dermatologie/Allergologie heeft een lange traditie op het gebied van topreferente patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek gericht op volwassenen en kinderen met constitutioneel eczeem (CE). Voor de complexe eczeemzorg is een groot dedicated team beschikbaar bestaande uit drie dermatologen, twee verpleegkundig specialisten en acht speciaal opgeleide dermatologisch verpleegkundigen. Door de training van dermatologen in opleiding en arts-onderzoekers op het gebied van CE ontstaat een groep dermatologen met ervaring en affiniteit met complexe eczeemzorg. Er wordt tevens veel aandacht besteed aan de atopische comorbiditeit en er is een intensieve samenwerking met de Vereniging voor Mensen met Constitutioneel Eczeem (VMCE). De eczeemresearchgroep is de laatste jaren sterk uitgebreid, mede door de intensieve samenwerking met het Laboratorium voor Translationele Immunologie (LTI). De korte lijnen tussen kliniek en researchlaboratorium maken snel reageren op nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Deze unieke samenwerking en de enthousiaste inzet van jonge gedreven onderzoekers maken de eczeemresearch binnen met UMC Utrecht toekomstbestendig.
Dermatologie als erfelijke aandoening in gesprek met Hanneke Muntendam
F. Meulenberg, J.J.E. van Everdingen
Artikel in PDF F. Meulenberg, J.J.E. van Everdingen | Fotografie: SLAZ.nl “Er zijn bij de…
Allergene risico’s van nieuwe eiwitten zoals meelworm en andere insecten
H. Broekman, K. Verhoeckx, T.M Le, G. Houben, A.C Knulst
In de zoektocht naar duurzame en voedzame voedingsbronnen om de toekomstige wereldbevolking van voldoende voeding te voorzien, is het bepalen van de allergeniciteit een vereiste. Bij nieuwe eiwitbronnen bestaat er een kans op allergeniciteit, enerzijds door kruisreactiviteit/-allergeniciteit, anderzijds doordat een eiwit zelf allergeen is en primaire sensibilisatie/voedselallergie kan veroorzaken. De allergeniciteit kan onderzocht worden door middel van uitgebreid laboratorium- en klinisch onderzoek. Een voorbeeld van een potentiële nieuwe eiwitbron waarvan de allergeniciteit is onderzocht, is meelworm. Uit het onderzoek blijkt dat garnaalallergische patiënten door kruisreactiviteit een groot risico hebben om een voedselallergische reactie te krijgen bij het consumeren van meelworm (kruisreactieve voedselallergie). Daarnaast is er aangetoond dat meelworm ook een nieuwe allergie kan veroorzaken (primaire allergie), bij mensen die met meelworm werken en consumeren. Deze mensen hadden geen garnaalallergie.
Praktische adviezen bij pollengerelateerde voedselallergie
M.A. Blankestijn, T.M. Le, A.D. Michelsen-Huisman, A.M. van Dijk, A.C. Knulst
Pollengerelateerde voedselallergie, zoals het paraberksyndroom, komt frequent voor bij eczeempatiënten. De diagnostiek begint met een zorgvuldige anamnese en het aantonen van sensibilisatie voor boompollen en indien mogelijk kruisreagerende voedingsmiddelen. Hierbij bestaan echter enkele potentiële valkuilen. Hoewel kruisreactiviteit tussen pollen en voedsel veelal resulteert in milde orale allergieklachten, is het van belang patiënten een aantal praktische adviezen mee te geven.
Specifieke allergenen bij de diagnostiek van pinda-allergie
F.C. van Erp, T.M. Le, H.M. Kansen, Y. Meijer, C.K. van der Ent, E.F. Knol, A.C. Knulst
Gezien de grote impact op kwaliteit van leven en hoge zelfgerapporteerde prevalentie is het van belang dat een pinda-allergie nauwkeurig wordt gediagnosticeerd, dan wel uitgesloten. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft laten zien dat het bepalen van het IgE tegen een specifiek component in pinda (Ara h 2) de diagnostiek naar pindaallergie kan verbeteren. In dit artikel bespreken wij de meerwaarde van deze component-resolved diagnostics aan de hand van drie kinderen met een verdenking pinda-allergie. De door ons toegepaste flowchart op basis van specifiek IgE tegen Ara h 2 zorgt voor efficiënte diagnostiek en voorkomt onnodige dubbelblinde provocatietesten.
Behandeling van varices bij ulcus cruris
D. van der Zwaan
Adequate ambulante compressietherapie kan veneuze hypertensie opheffen bij veneuze ziekte met als doel ulcusgenezing te bevorderen, echter het verhelpt niet de onderliggende oorzaken van de veneuze hypertensie. Eerder werd al aangetoond dat de kans op recidief ulcus significant vermindert als ook de onderliggende varices chirurgisch worden behandeld. Er is dus toegevoegde waarde van interventie boven alleen conservatief beleid bij ulcus cruris venosum. Een recent gerandomiseerd onderzoek laat zien dat vroege behandeling middels endoveneuze ablatie en/of echogeleide foamsclerocompressietherapie van tevens bestaande superficiële veneuze reflux een snellere ulcusgenezing bewerkstelligt, de ulcusvrije periode verlengt en de kans op ulcus recidief na een jaar significant vermindert.
Belangrijk(st)e ontwikkelingen in de klinische dermatologie
R. Hoekzema
In dit artikel wordt een selectie van belangrijke ontwikkelingen in de klinische dermatologie besproken, aan de hand van recente publicaties over de frequent voorkomende huidaandoeningen acne en rosacea. De artikelen van respectievelijk Wang et al. en Lacey et al. verschaffen nieuwe inzichten in de pathogenese van deze folliculaire dermatosen, in het bijzonder met betrekking tot de vermoede pro-inflammatoire rol van twee commensale bewoners van onze haartalgklierfollikels: de bacterie Propionibacterium acnes (recent omgedoopt tot Cutibacterium acnes) bij acne en de mijt Demodex folliculorum bij rosacea. De andere twee studies, van Gold et al. en Mrowietz et al., beschrijven een veelbelovende nieuwe topische toepassing van minocycline bij acne en rosacea: minocycline schuim. Op grond van de effectiviteit en het gunstige bijwerkingenprofiel verwacht de fabrikant dat minocycline schuim binnenkort door de FDA wordt goedgekeurd als nieuwe lokale behandeloptie bij acne en papulopustuleuze rosacea. We zullen moeten afwachten wanneer het voor onze patiënten beschikbaar komt.
Bijzondere nagels
M.C. Pasch
De meeste nagelafwijkingen worden veroorzaakt door een schimmel, een tumor van of rond de nagel, of door één van de relatief frequente inflammatoire dermatosen; psoriasis unguium en lichen planus unguium. Een groot deel van de overige nagelafwijkingen kan begrepen worden als ze gezien worden in de bredere context van de patiënt. Die context kan betrekking hebben op de leeftijd van een patiënt, maar ook op de mogelijke aanwezigheid van andere dermatosen of van een andere niet-dermatologische ziekte waarmee de patiënt al dan niet bekend is. Een nagelafwijking kan ook het gevolg zijn van een genetische aandoening die verder gaat dan de nagels of zelfs veel verder dan de huid, maar kan ook veroorzaakt worden door gedrag van de patiënt zelf of door gebruikte medicatie.
Cijfers over huidkankerzorg in Nederland
M. Wakkee, E. Noels, S. van Egmond, L. Hollestein
De nog steeds stijgende huidkankerincidentie maakt dat we zorgvuldig en efficiënt om moeten gaan met beschikbare middelen. In dit artikel evalueren we de huidkankerzorg en impact in Nederland middels verschillende longitudinale databases van routinezorgdata en een populatiegebaseerde cohortstudie.
Een tweede sprong in het diepe veneuze systeem: het duplexonderzoek
C. van Montfrans, A. Moelker, M. de Maeseneer, M.J. van Rijn
Duplexonderzoek van het oppervlakkige veneuze systeem wordt veelvuldig toegepast in de dermatologische praktijk. Het diepe systeem krijgt doorgaans minder aandacht. In dit artikel gaan wij in op het verrichten van duplexonderzoek van het diepe veneuze systeem. Wij behandelen de anatomie, de technische achtergrond van echografie en het dopplereffect en ten slotte het onderzoek van benen en buik. Hiermee hopen wij de drempel om de diepe venen goed te visualiseren te verlagen en de correlatie met de kliniek van uw patiënt te verbeteren.
Gelokaliseerde sclerodermie bij kinderen
M.M.B. Seyger
Gelokaliseerde sclerodermie bij kinderen verschilt in een aantal opzichten van sclerodermie bij volwassenen. Het type lineaire sclerodermie komt bij kinderen veruit het meest voor. Het beloop is vaak ernstiger en zowel restverschijnselen als extracutane manifestaties worden vaker gerapporteerd. Het is van belang om de diagnose snel te stellen en indien geïndiceerd tijdig met systemische immunosuppressiva te behandelen, om daarmee de kans op restverschijnselen te kunnen verminderen. Men dient alert te zijn op recidieven en voldoende follow-up te waarborgen. Gezien de kans op extracutane manifestaties en behandeling met potente systemische middelen wordt geadviseerd de kinderen te zien in een gecombineerd spreekuur van een (kinder)dermatoloog en (kinder)reumatoloog.