F. Meulenberg
Jaargang 2017
, volume 5
Een 70-jarige hoogleraar filosofie in Oxford overpeinst zijn leven en dan vooral de herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren in Zweden. Voorbijkomen een in ontbinding verkerende koe in een veenmoeras, zijn vrome grootmoeder en haar halfgekke zuster, de smaak van kaneelpeertjes en
boven alles mevrouw Sorgedahl: “Ik herinner me haar heel goed. Haar lange weelderige rode haar in het zachte lamplicht, als ze zich vooroverbuigt om
haar Siamese kat te strelen, die zacht als zijde op mijn knieën ligt. En ik herinner me de mooie blanke armen van mevrouw Sorgedahl. Op een lenteavond
in 1954.” Het zijn die lelieblanke armen die alle herinneringen overwoekeren en derhalve is het begrijpelijk dat die armen terugkeren in de titel die de
Zweed Lars Gustafsson (1936-2016) gaf aan zijn late, poëtisch-filosofische roman De mooie blanke armen van mevrouw Sorgedahl. 1
Het Paradijs
Het is dan al meer dan vijftig jaar geleden dat de verteller haar voor het laatst zag. Hij constateert dat met grote spijt en schuldgevoel: “Ik had geen idee dat ze nog ergens in mijn binnenste huisde. En nu was ze er opeens. Met haar mooie blanke armen. Haar mooie zachte armen die zich nu, in mijn droom, maar dus nooit in werkelijkheid, zo teder om mijn magere, toen nog tienerlijf, sloten.” Destijds moest ze ongeveer 30 jaar oud zijn geweest, het dubbele van zijn eigen leeftijd toen. Was ze mooi? “Natuurlijk was ze mooi. Heel mooi. Het mooiste dat ik ooit heb gezien.” Ze was Zwitserse van geboorte maar getrouwd met een Zweed die, aldus Gustafsson, als veel mannen met een zeer aantrekkelijke vrouw, “onbeduidend” was. Een volwassen en fascinerende vrouw, zeker voor het vriendenclubje, louter bestaande uit jongens. Ze liet de jongens kennismaken met de muziek van Gustav Mahler en Charlie Parker, het roken van sigaretten en het drinken van alcohol. Geen wonder dat de jongens haar huis Het Paradijs noemden. Op een dag moest hij de planten van mevrouw Sorgedahl water geven en haar post binnenhalen. Op weg naar haar huis droomt hij “van wat er niet ging gebeuren.” Het huis blijkt leeg, zelfs haar kleren zijn verdwenen. Hij ziet alles in het huis als bijna religieuze relikwieën: “Ik liep rond en raakte devoot de voorwerpen aan, waarvan ik me voorstelde dat Zij die aangeraakt had.” Maar de lezer weet dan allang dat mevrouw Sorgedahl de jongen eerder ontving in haar “mooie witte armen”, waarbij ze bij het schokken van haar heupen “hoge reeachtige geluiden maakte”. Deze opmerkelijke initiatie was hij dus gedurende decennia vergeten. Hoe bestaat het? “Waar is al die niet gebruikte liefde en die niet gebruikte haat gebleven? Worden die ergens in een reservoir opgeslagen?” De jonge, licht uitstralende mevrouw Sorgedahl vormt dankzij haar lelieblanke huid het refrein van de herinnering. Tientallen malen refereert de verteller aan haar blanke huid. Dat is wat de kleur van de huid vermag. Haar gezicht kan hij zich niet meer voor zijn geest halen. “Het enige wat ik me herinner is dat het het herinneren waard was.”
Brandijzer
Landgenoot Per Olov Enquist (1934) beweerde nooit een liefdesroman te zullen schrijven, maar kwam daar op hoge leeftijd van terug met een magistrale
roman Het boek der gelijkenissen. 2 Die titel is ambitieus omdat hij de ‘gelijkenissen’ uit zijn eigen leven wil doen gelijken op Bijbelse parabels, met dito idioom. Zelf nu “levend onder een afschuwelijke huid” vertelt de oude Enquist zijn lang verzwegen eigen liefdesverhaal. Centraal staat de herinnering aan zijn ontmaagding, als 15-jarige knaap, door Ellen, een 51-jarige alleenstaande vrouw uit de buurt. Plaats van handeling: een kwastvrije grenenvloer. Nadat de vrouw eerst hem ontkleedde en daarna zelf de kleren aflegde, “sloeg ze haar beide mooie blanke handen om zijn rug en trok hem langzaam in zich naar binnen.” De jonge en tengere Enquist ervoer dat als het binnengaan van het leven zelf, zeker als hij even later ook zijn eerste orgasme beleeft. Anders dan de hoofdpersoon uit de roman van Gustafsson, zou Enquist dit moment nooit vergeten, een herinnering in hem is “ingebrand als een brandijzer in een dier.” Hij beloofde destijds aan die vrouw er met niemand over te spreken, maar ruim een halve eeuw later zal iedereen begrijpen, dat hij met die belofte nu breekt. Het verlangen van jonge jongens naar oudere vrouwen is een bekend thema in literatuur en film. Met als vermoedelijk ijkpunt de film The Graduate (1967) waarin de volwassen Anne Bancroft (Mrs. Robinson) de jonge, stuntelige Dustin Hoffman verleidt tegen de zoetgevooisde achtergrondmuziek van Simon & Garfunkel. Graag zou ik hier een persoonlijke anekdote aan willen toevoegen over een gelijksoortige ervaring, of iets dat deze ervaring op zijn minst benadert, maar mijn geheugen zwijgt in alle talen. En met recht. Derhalve haal ik nog een literair voorbeeld aan, uit de negentiende eeuw, van de Braziliaanse auteur Joaquim Machado de Assis (1839-1908).
Droom
In het korte verhaal Vrouwenarmen is de 15-jarige Inácio danig onder de indruk van dona Severina, een jonge vrouw van 27 jaar, “die haar armen altijd
onbedekt liet” waardoor haar armen altijd in volle lengte zichtbaar waren. Het waren bovendien mooie armen, en hoewel altijd blootgesteld aan lucht,
verloren ze “noch hun zachtheid noch hun blanke huidskleur.”3 Inácio voelt zich “omklemd en omketend” door de armen van dona Severina. Hij bespiedt
haar, wanneer hij maar kan en het ontgaat de jonge vrouw niet. Hoewel ze beseft dat hij “nog maar een kind” is, ontwaakt ook in haar een ongedurig verlangen. Op een nacht sluipt ze de kamer binnen van de jongen die, als hij later ontwaakt, denkt dat het een droom was. Hij vergist zich, zonder het ooit te weten. Een verhaal over twijfel, tweeslachtigheid en onzekerheid, zo typerend voor Machado de Assis.
Drenkelingen
Dagdroom, literatuur of werkelijkheid? Maakt dat veel verschil? In mijn ogen nauwelijks. Voor Gustafsson is de blanke huid het refrein van de herinnering, voor Enquist nagenoeg het Hooglied van de huid. Voor alle personages is die blanke huid – naast een schoonheidsideaal van voorbije eeuwen – een obsessie, en een zee van verlokking, “omklemd en omketend” als ze zijn door die lelieblanke huid. Enquist verwijst in zijn roman even naar de filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855). Verloofd zijnde, op bezoek bij vrienden, ziet Kierkegaard doordat een deur die op een kier staat, hoe de gastvrouw van blouse wisselt. Ze is naakt onder die blouse. Ze merkt dat de filosoof haar ziet, maar bedekt haar lichaam niet. Het is een soort uitnodiging. De filosoof beschouwt liefde als een “noodzakelijke wreedheid” en verzucht vervolgens: “Is de liefde dan een enkele schreeuwende noodkreet, als van een drenkeling?”4 Ik neig ertoe die vraag met ‘ja’ te beantwoorden, want geen man is bestand tegen een lelieblanke huid, indachtig ook de fameuze regel van Stevie Smith (1902-1971) over drenkelingen, aansluitend bij de opmerking van Kierkegaard: “Not waving but drowning.”5
Literatuur
1. Gustafsson L. De mooie blanke armen van mevrouw Sorgedahl. Hoogland & Van Klaveren, Hoorn 2011 [vertaling Cora Polet].
2. Enquist PO. Het boek der gelijkenissen – een liefdesroman. Anthos, Amsterdam 2014 [vertaling Cora Polet].
3. Machado de Assis. Vrouwenarmen. In: Vrouwenarmen. De Arbeiderspers, Amsterdam 1986: 9-20 [vertaling August Willemsen].
4. Kierkegaard S. Of/Of. Een levensfragment, uitgegeven door Victor Eremita. Boom, Amsterdam 2000 [vertaling Jan Marquart Scholtz].
5. Smith S. Collected Poems. New Directions, Hampshire 1972.
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl