F. Meulenberg
Jaargang 2022
, volume 8
Na een lange werkdag rijdt de 49-jarige Pieter Elting op een zomeravond naar de villa, waar hij sinds een scheiding alleen woont. Licht geïrriteerd vanwege het gezeik op zijn werk en denkend aan de onbenulligheid van mensen heeft hij slechts één verlangen: een whisky.
Thuis aangekomen wordt hij opgewacht door een man en een vrouw, gekleed in spijkerbroek en donker T-shirt met daarboven een zwarte bivakmuts. Het duo overmeestert Pieter, stopt hem in de kofferbak van een auto en brengt hem naar een onbekende plek, in een lege kamer met als enig meubilair een bed en een nachtkastje. Ontvoerd! Waarom? Hij peinst zich suf over mogelijke vijanden of ruzies, maar hij kan niets bedenken. Zijn ontvoerders geven geen antwoord op zijn vragen: “Denkt u dat we tijd hebben om met u in discussie te gaan? U houdt zich aan de regels van het huis en daarmee basta!” Hij moet zelf maar gaan bedenken waarom hem dit overkomt.
Zwijgend binden ze hem vast op bed. Ondanks zijn aandrang mag hij naar het toilet gaan. Hij plast en poept in zijn broek. Een luier blijft hem niet bespaard. Hij krijgt de vaste dagindeling te horen. Voor de avondboterham is het al te laat: “We kunnen geen uitzondering maken”. De dagen verlopen volgens een vaste routine. Hij voelt zich goor, het bed is dat ook. De ontvoerders: “U denkt toch niet dat we elke dag tijd hebben uw bed te verschonen?” Het ontbijt bestaat uit twee slappe sneetjes witbrood, in vieren gedeeld, met kaas en jam. Plus mierzoete thee en een glas vruchtensap met een rietje. Het avondeten biedt erwtjes en appelmoes, met vanillevla als toetje. Hij vreest nooit meer kreeft te zullen eten. Verzet helpt niet: de mannelijke ontvoerder slaat een tand uit zijn mond. Na een week zetten ze hem eindelijk onder de douche. Hij verliest zelfs het gevoel van tijd, en is zielsgelukkig – “een vernederende blijdschap” – als ze hem een keer met een rolstoel de tuin in rijden. Langzaam beginnen Pieter en zeker de lezer te beseffen waarom hem dit overkomt.
Onenigheid tussen de ontvoerders – Emma en haar broer John – maakt dat ze de reden voor de ontvoering onthullen. Emma laat Elting haar logboek lezen van het verblijf van hun moeder in verpleeghuis Parkzicht. En wie is bestuurder van dat verpleeghuis? Pieter Elting. De zorg en het eten waren slecht, te weinig personeel, geen aandacht, nauwelijks verschoning.
Moeders toestand verslechtert, haar gedrag onvoorspelbaar. Op een gesloten afdeling zet een verpleegkundige haar onder een veel te hete douche. Die brandwonden lopen fataal af. Elting verklaart dat de schuld bij het ‘systeem’ ligt, niet bij hem persoonlijk.
Met de keuze voor de vorm literaire thriller laat auteur Lieneke Dijkzeul met Dagen van schaamte een originele invalshoek zien voor haar aanklacht tegen het systemisch wanbeleid in verpleeghuizen. [1] Al is het verrassingsgehalte qua inhoud en plot matig, zeker voor een thriller, het j’accuse gehalte is er niet minder om. Haar boek werkt voor alles vooroordeelbevestigend en al zal dat best iemand een prettig en bevestigend gevoel geven (‘zei ik het niet!’), het leest door de grove penseelvoering bijna karikaturaal, wat alle ethische fijnzinnigheid aan het zicht onttrekt.
Verkenning
Wat is ethiek? In de brede definitie van ethiek gaat het om het vinden van een antwoord op de aloude Socratische vraag: ‘Hoe te leven?’, met daaraan gekoppeld de vervolgvraag: ‘Wat voor mens willen wij zijn?’ Ieder van ons moet zelf zien uit te vinden waar het hem of haar werkelijk om gaat en wat hem of haar motiveert om zo in het leven te staan als hij of zij staat. De eigen dagelijkse ervaringen staan daarbij voorop en vormen een belangrijke inspiratiebron. Eigen ervaring kan echter nimmer afdoende zijn. Er is meer voeding nodig. Zoals uit verhalen van andere mensen, de media en het internet maar ook fictie. Wat is dan de meerwaarde van literaire romans? Fictie schenkt ons gedetailleerde beelden, indringende beschrijvingen van levens en karakters, plus de complexiteit hiervan. [2] Voedingsstof voor morele overwegingen dus. Verhalen, inclusief fictie, scherpen ons vermogen aan om morele nuances te onderscheiden. Milan Kundera verwoordt het treffend: “De roman onderzoekt niet de werkelijkheid, maar het bestaan. En het bestaan is niet wat er gebeurd is, maar het bestaan is het veld van menselijke mogelijkheden.” [3] Elke roman zegt tot zijn lezer: De zaken zijn gecompliceerder dan jij wel denkt. Zoals bijvoorbeeld blijkt uit De weduwetrooster van de Duitser Marc Wortmann.
“We doen net als cowboys, eerst worden de paarden verzorgd”
Ongewoon beroep
De 19-jarige schoolverlater Jan Oltrogge vervult zijn vervangende dienstplicht in een verzorgingshuis voor vrouwen. Hoezeer hij ook zijn best doet de oude vrouwen op tijd gewassen te krijgen, het lukt hem niet. Hij klaagt hierover: “Waarom ontbijten we zo laat? Na drie uur po’s leegkiepen heb ik helemaal geen honger meer”. “We doen net als cowboys”, reageert zijn laconieke collega Sabine, “eerst worden de paarden verzorgd”.
Oltrogge krijgt bovendien een uitbrander van één van de familieleden van een bewoner: beseft hij wel dat het vrouwen betreft die twee wereldoorlogen hebben meegemaakt? De eerste als kind en de tweede als echtgenote en moeder, waarbij zij huis, man en kinderen hebben verloren, om vervolgens het land weer op te bouwen? Dat deze vrouwen dus goede zorg verdienen? Jan Oltrogge hoort het maar half aan, want hij heeft al besloten wat zijn levensdoel zal zijn: weduwetrooster. “Ik weet: een ongewoon beroep. Het bestaat even lang als er weduwen bestaan, dat wil zeggen, even lang als mannen eerder sterven dan vrouwen, en dat is al een hele tijd zo.” Onder de weduwes heerst jaloezie en competitie. Het ontleden van wat hen onderling bindt of juist onderscheidt, is een tijdrovende klus. Maar een weduwetrooster neemt die tijd, hoewel men in dat vak “altijd een beginneling blijft”.
Wat zijn de kenmerken van dat vak? Een weduwetrooster is een zachtaardig en behoedzaam mens. Hij is bereid offers te brengen om de weduwes te troosten. Hij wil tot hen doordringen. Op het eerste gehoor zijn de verhaalflarden van de bejaarden onsamenhangend. De gedreven weduwetrooster zet echter door omdat hij moet weten op welk gebied iedere individuele vrouw vertroosting wenst. Uiteindelijk gaat dan een luikje naar een geheim open, zijnde een oud verdriet, een sterfgeval of een afscheid. Dat is zijn doel: het opvullen van vrijgevallen plaatsen. Een weduwetrooster moet, als ouderenluisteraar, allerlei gedaanten kunnen aannemen om de evenzovele leegtes op te vullen:
De weduwetrooster was zoon, echtgenoot en minnaar. Hij sprak met de stem van de overleden vader, zijn glimlach was de glimlach van de overleden broer, zijn handen waren de handen van de overleden echtgenoot.
Oltrogge overspeelt echter zijn hand. Hij ritst de verledens te ver open. Tot daar waar het echt pijn doet en het mensen beschadigt. Veel van de vrouwen zijn niet in staat de confrontatie met het eigen vaak verdrongen verleden aan te gaan. Zijn aanpak is controversieel en er vallen zelfs doden. Ontslag volgt. Oltrogge weet: het troost bieden aan weduwen is een roeping, een baan voor het leven. En hij gaat op weg naar zijn nieuwe baan, in een ander verzorgingshuis …
Liefde en psychoterreur
De weduwetrooster is een indringende roman: spannend, ontroerend en ongemakkelijk. Levensecht, want de stank van zweet, poep, urine, speeksel, vuil en open wonden snoert de lezer de keel. Ook de levensverhalen van de weduwes doen bijkans fysiek zeer. Wortmann zoomt vooral in op empathie en betrokkenheid: hoe ver reiken professionele empathie en betrokkenheid? Op welk moment wordt empathie toxisch? En wanneer is sprake van grensoverschrijdend gedrag? In dat opzicht is het een verontrustende en weerbarstige roman. Collega’s verwijten Oltrogge een gebrek aan professionaliteit omdat hij het werk zo “persoonlijk” opvat. De vraag rijst dan wat professionaliteit behelst – anders dan de graatmagere en zielloos rituele functie – wanneer die niet raakt aan de diepste zingeving van een individu: iemands levensverhaal. Oltrogge is in principe zeer begaan met de ongelukkige, angstige, gefrustreerde en eenzame vrouwen. Hij vult de leemte waarvoor familieleden en artsen angstvallig de ogen sluiten. Hij geeft ze aandacht, ruimte en tijd en hij kan ze troosten, bemoedigen en steunen omdat hij hun levens vaak tot in curieuze details kent. Is dat niet mede een kenmerk van een goede zorgverlener? Van de andere kant is hij niet-belangeloos en gaat hij te ver: hij overschrijdt grenzen van intimiteit, bedriegt en bedreigt de weduwes. Zijn liefde voor de oude vrouwen is even onmiskenbaar als de psychoterreur die hij uitoefent. Wat hij echter haarscherp ziet, is dat het ontbreken van troost onleefbaar is wanneer het eigen bestaan langzaam dreigt leeg te druppelen. De roman is een langgerekt pleidooi voor de noodzaak van betrokkenheid. De behoefte daaraan maakt de vrouwen afhankelijk.
Alledaags
Is dat erg? Afhankelijkheid heeft een negatieve connotatie, waar autonomie bijvoorbeeld als bijna sacraal te boek staat. Dat maakt het moeilijk om afhankelijkheid te zien als een alledaags iets, waar iedereen mee te maken krijgt. Afhankelijkheid, in wisselende doses en tempi, hoort bij het leven, en is niet per se verkeerd of onwaardig. Afhankelijk zijn voor zorg, betekent niet noodzakelijkerwijs afhankelijkheid op alle terreinen. Het is de manier waarop de persoon zelf en de omgeving er mee omgaan: Maakt iemand misbruik van andermans afhankelijkheid? Moet je je schuldig voelen als je afhankelijk bent? Hoe respectvol om te gaan met afhankelijkheid? Afhankelijk zijn maakt kwetsbaar. Troost is opnieuw: we zijn het allemaal.
In afhankelijkheid zit altijd een ontmoeting, en soms een intieme ontmoeting. Daar hebben velen het moeilijk mee. Waarom zijn we vaak als de dood dat anderen onze intieme sfeer gaan binnendringen? Maar haalt ons dat niet uit de eenzaamheid op een moment dat alles ons richting isolement duwt? Na erkenning van afhankelijkheid komen de onderliggende vragen in beeld: ‘Hoe gaan wij met afhankelijkheid om?’ en ‘Om welke zorg vraag ik, welke afhankelijkheid durf ik als zorgbehoevende daarmee te vragen?’ en ‘Aan wie vertrouw ik die zorg toe?’ Patiënt en zorgverlener zijn door een appèl aan elkaar verbonden: ze respecteren elkanders rol plus eigenheid en stellen de spelregels en hun beider grenzen helder vast. Ander dan Jan Oltrogge deed, betreden zij nimmer de ‘vernederingszone’.
Ouderenluisteraar
Ouderdom is een laatste leerschool. Voorbij de verwachtingen, zonder spijt over het verleden, slapen in vergetelheid die een vorm van vrijheid is. In de woorden van Nobelprijswinnaar Elias Canetti: “De oude kleren verbranden, de woordenkraam terzijde leggen. Niets meer verdedigen, het oude laten voor wat het is, ontdekken wat je nu bent.” [5] Wat Oltrogge goed begrijpt, is dat er een jonger leven aan voorafgaat. Die twee levens vormen één geheel, verenigd als ze zijn in één en dezelfde persoon. Als men dat leven wil taxeren, is het oneerlijk om alleen naar het laatste stukje van een levensweg te kijken. Het zou treurig zijn als zorgverleners zich zouden verliezen (in de lasten) van die ouderdom, en zo de facto de rest van een leven zouden buitensluiten.
Levensverhalen zijn weliswaar uniek maar de wetten die eraan ten grondslag liggen zijn dat niet. Het verhaal is de basis van alle menselijke ervaring, en omgekeerd: de menselijke ervaring is de basis van verhalen. Wie aandacht heeft voor veroudering en de beleving ervan, kan dus niet anders dan aandacht hebben en liefde koesteren voor‘verhalen’, als ouderenluisteraar. Zoals gezegd zijn die verhalen een combinatie van eigen ervaring plus mogelijk fictie. Wellicht denkt iemand: waarom zouden we ons drukken maken over fictieve personen? Bedenk daarbij: van werkelijkheid naar fictie is er weliswaar een afname van praktisch belang en relevantie, maar deze zou weleens gepaard kunnen gaan, althans in bepaalde gevallen, met een toename van beleefde intensiteit en identificatie. [6]
Literatuur
1. Dijkzeul L. Dagen van schaamte. Ambo|Anthos, Amsterdam 2016.
2. Cunningham A. The heart of what matters: the role for literature in moral philosophy. University of California Press, Berkeley/Los Angeles/London 2001.
3. Kundera M. Over de romankunst – Verzamelde essays. Ambo, Amsterdam 2012:41 [bezorger: Martin de Haan].
4. Wortmann M. De weduwetrooster. Ambo, Amsterdam 2003 [vertaling: Gerda Meijerink].
5. Canetti E. Het pantheon van vergeten dingen. Arbeiderspers, Amsterdam 1995:109 [vertaling: W. Hansen].
6. Vermeule B. Why do we care about literary characters? Johns Hopkins University Press, Baltimore 2010.
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl