Bert Keizer
Jaargang 2022
, volume 8
Er zijn nogal wat mensen die in hun wilsverklaring opschrijven dat ze in geval van dementie nooit in een verpleeghuis willen worden opgenomen. Toch zijn ongeveer veertigduizend Nederlanders met dementie daar wel beland. En die hadden zich allemaal voorgenomen om daar niet te eindigen. De klassieke gang van zaken bij dementie is dat men zich schrap zet tegen een opname in het verpleeghuis, en er vervolgens toch belandt. Dat komt omdat dementie je meestal berooft van dat deel in je persoonlijkheid dat je in staat stelt om je schrap te zetten tegen opname in het verpleeghuis. Er is geen ruimte voor jou náást je dementie. Je kunt je dementie niet bekijken zoals je wel je longlijden kunt bekijken. Het is niet altijd zo, maar in de overgrote meerderheid van de gevallen helaas wel.
Ik heb veel jaren in het verpleeghuis gewerkt en heb dat nooit ervaren als de hel. Nee, nogal wiedes, omdat jij elke avond weer naar huis fietste. Dat klopt maar half. Ik zou er niet al die jaren hebben kunnen werken als daar alleen maar mensen zaten die doodongelukkig zijn. Hoe vergaat het die mensen dan?
Irene Kruyssen, muziektherapeut, en Paula Irik, emeritus predikant, doen op internet al jaren verslag van hun ontmoetingen met demente bewoners in de vorm van gespreksverslagen, onder de titel Juweeltjes. Wat je te lezen krijgt is soms verdrietig, dan weer komisch, maar altijd is er de ontmoeting met een levende man of vrouw die probeert iets te zeggen over wat hem of haar beweegt. Ik citeer met toestemming uit hun blog. Hier praat meneer A. met Irene op de dag van Allerzielen, terwijl haar hond rondtrippelt. Luister hoe hij rondtastend in Allerzielen belandt bij zijn ouders die begraven liggen op Barbara (het kerkhof in Sloterdijk) en de hond waar hij zo dol op was. ‘Het is voor mij veel spannender. Ik ga me ook nooit verplicht voelen voor iets. Ik wil … niet vergeten … het heeft mij genoeg verdriet gekost, dus ik heb helemaal niet zo … Er zijn er zoveel die verdriet gedaan hebben … ik heb liever heimwee. Het is tenslotte ook een grote hond. Die hond ook. In wezen leefde die toen nog. In wezen weet ik niet of dit zo gepland is of niet gepland is. Op Barbara, bij Sloterdijk, daar liggen mijn wortels. Tenminste: voor een hond. Die mensen wonen daar dichtbij. Sloterdijk is iets … een gemeenschap … de mensen … ik ga op een bankje zitten of een stoeltje. Dan geniet ik. Dat ik aanwezigheid ben. Sloterdijk, dat is ook te ver weg geworden. Het spoor over bij de cocacola-fabriek. Ruimschoots. Dan ben je met een horde mensen en dan komen ze voor elkaar maar ook niet voor elkaar. Het was zo’n lieve, brave hond. Ik was de oudste jongen. Daar had je een band mee. We waren met in totaal acht kinderen, vier meiden, vier jongens. Van huis uit …’
En hier praat Paula met mevrouw B. Ze drinken wat in de herfstzon: ‘Ik ga het niet zo goed omgeven en leven. Heerlijk. Leuk hè? Ik was helemaal goed zoet. Lekker. Hèhè – zitten we hier. Blijven we heerlijk hier met een wit stukkie. Blijf ik hier. Of juist niet. Dat dacht ik ook zelf tussendeur. De sleup (terwijl ze een slok neemt) vind ik nog bijzonder goed. Zie je wel. Omdat het herfst is. Jij zegt het ook al. En ik. Leuk hè? Daarom, ik wou net zeggen, ik zei vanmorgen nog: de bruine dingen zijn voorgoed veranderd geworden. Als het uitgezaaid is, zelf al. Wij moeten er dan inderdaad ook bij zijn. De deuren door, een opletting hebben met elkaar. Ik ben heel blij. Gek hè? Ik vind het heel goed gedaan hoe we dat gewerkt gedaan. Ik wil even lekker kijken. Ik dacht ook dat jij dat moest doen. Alle gewone dingen, die deed ik altijd wel. Ik ga niet moesteren hoor. Ik ken jouw dingen toch. Ik doe het zelf bij mij. En ik ga het niet uitleggen. Daar heb ik geen zin in. (Lachend:) Voorlopig.
Dementie is onhandig dwalend leven, niet iets om naar te verlangen, of aan te prijzen, maar het is niet de hel.