F. Meulenberg
Jaargang 2019
, volume 5
“Ergens in het ijs worden mijn ridderhandschoenen bewaard, de handschoenen die gedurende zesendertig jaar mijn vingers nauw hebben omsloten. Deze handschoenen leven in een museum van ijs, een getuigenis, een document, een expositiestuk van het fantastisch realisme van mijn toenmalige werkelijkheid; ze wachten, als tritons of coelacanthen, op hun beurt om latimeria te worden.” [1] Zo luiden de openingszinnen van het verhaal De handschoen uit 1972 van de Russische auteur Varlam Sjalamov (1907-1982).
De coelacanth (Latimeria chalumnae) is een levend fossiel waarvan men lang dacht dat dit uitgestorven was tezamen met de dinosauriërs, totdat een coelacanth in 1938 in het vangnet van een verbijsterde visser terechtkwam. De geschiedenis van de vis zou tot 360 miljoen jaren geleden teruggaan. [2] Wie zijn ‘handschoen’ (spoiler alert: het is geen handschoen) vergelijkt met een coelacanth uit een lang vergaan tijdperk, zal dit doen als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat klopt. Sjalamov bracht zeventien jaar door in de mijnstreek van Kolyma, in het verre Noordoostelijke Siberië. Op dit schiereiland met zijn bergen, taiga en permafrost – het verschijnsel dat in bepaalde gebieden nabij de polen en in het hooggebergte de ondergrond nooit helemaal ontdooit – verbleven halverwege de vorige eeuw een miljoen mensen, hoofdzakelijk gevangenen die in de goud-, uranium- en tinmijnen werkten, criminelen maar vooral politieke gevangenen. Werkend bij temperaturen tot zestig graden onder nul, met nauwelijks eten en kleding, terwijl de barakken onverwarmd bleven. Met als aanvulling de vernedering, afranselingen, slagen, stompen en dagelijkse mishandelingen.
Verdierlijking
De leefomstandigheden waren erbarmelijk, onmenselijk in feite. “De mens is geen duivel, maar voor zijn medemens een plaag”, zoals Nobelprijswinnaar Aleksandr Solzjenitsyn (1908-2008) schreef. [3] Met zijn Goelag Archipel zette Solzjenitsyn de terreur van de Stalinistische werkkampen op de kaart van de westerse wereld. Hij erkent echter dat de ellende van Sjalamov veel groter was: “Sjalamovs kampervaring was harder en langer dan de mijne, en ik erken met het grootste respect dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar alles in het dagelijks leven van de kampen ons naartoe trok”. [4] De stem van Sjalamov is droog, afstandelijk, analytisch, afgebeten, bijna klinisch, zonder geklaag laat staan zelfbeklag, maar wel één grote aanklacht, door te tonen wat mensen elkaar aandoen – mensen die zich, in de ogen van Sjalamov, uiteindelijk maar in één opzicht van dieren onderscheiden, hun fysieke gehechtheid aan het leven: mensen gaan door waar een beest het opgeeft. [4]
Sjalamov heeft in De handschoen last van dysenterie, wat hem het toegangsbewijs oplevert voor het “walhalla”, de kliniek van het kamp. Een “crepeergeval”, wat Sjalamov is, heeft maar eens in de vijf dagen ontlasting, niet vaker. “Elke kruimel wordt, zo lijkt het, door alle cellen van het lichaam opgezogen, en niet alleen door de darmen en de maag. Ook de huid wil dat wel, en is bereid om het voedsel op te zuigen.” Zoals vaker, blijkt de dysenterie een symptoom te zijn voor onderliggende diagnosen: “pellagra, alimentaire dystrofie, scheurbuik, extreme polyavitaminose.” Het extreme vitaminetekort blijft niet zonder gevolgen.
“Tijdens de tweede ziekenhuisopname voelde ik dat mijn huid onstuitbaar begon te schilferen, de huid van mijn hele lichaam jeukte, kriebelde en kwam los in schilfers, soms zelfs met hele lappen tegelijk (…) Maar dat was allemaal na het vervellen. Nadat mijn huid als een schil van mijn lichaam was losgekomen. Naast de door scheurbuik veroorzaakte zweren, etterden mijn tenen als gevolg van een osteomyelitis vanwege bevriezingen. Mijn door scheurbuik aangetaste wiebelende tanden, steenpuisten waarvan de gevolgen nu nog zichtbaar zijn op mijn benen … Ik herinner me de voortdurende, hevige, niet te stille honger en als kroon op dat alles: de huid die in lagen loskwam.”
Met als apotheose: “Op dat moment voelde ik hoe een handschoen zich losmaakte en van mijn hand gleed. Het was interessant, maar niet angstaanjagend om te zien hoe mijn eigen huid in lagen van mijn lichaam losliet, hoe er velletjes van mijn schouders, buik en armen naar beneden vielen. De hulpverleners konden de handschoenen van beide handen en de kousen van beide voeten er in één keer afhalen”. Sindsdien liggen de handschoenen in de permafrost, zoals dit landschap homerisch bezaaid zal zijn met afgestorven en afgehakte ledematen. De impact van de afgestorven huid op Sjalamov is blijvend: “Op een dag had mijn huid zich helemaal vernieuwd, maar mijn ziel niet.”
Vergeten zieken
Hoe een dergelijk leven eruitziet, hoe het voelt, het blijft nauwelijks voorstelbaar. Geen wonder dat een toekomstperspectief ontbreekt en zich beperkt tot hooguit een dag vooruitzien:
“Verder dan één dag vooruitdenken had geen enkele zin. Op zichzelf is het begrip ‘zin’ in onze fantastische wereld nauwelijks begrijpelijk. Deze oplossing (leven bij de dag) is geen vondst van de hersenen, maar van een dierlijk instinct dat gevangenen bezitten; dit onweerlegbare axioma is een vondst van het instinct van de spieren.”
Alsof er nog niet voldoende tragiek is, zorgt de Tweede Wereldoorlog voor de ontknoping van een ander, onverwacht drama. “Tijdens militaire acties waren de leprozenhuizen vernietigd en de melaatsen hadden zich onder de bevolking verspreid. Was dat een geheime of een openlijke oorlogshandeling? Een chemische of een bacteriologische oorlog?” [5] Nee, in werkelijkheid kon een melaatse zich gemakkelijk uitgeven voor iemand die tijdens de oorlog gewond was geraakt of verminkt. Melaatsen mengden zich dan ook probleemloos onder de mensen die naar het Oosten vluchtten en in het echte, zij het verschrikkelijke leven terugkeerden. In die wereld werden ze voor oorlogsslachtoffers gehouden, voor helden soms zelfs. De melaatsen leefden en werkten als ieder ander. Er moest een einde aan de oorlog komen voordat de artsen zich het bestaan van de melaatsen herinnerden en “de verschrikkelijke kaartenbakken van de leprozenhuizen” zich opnieuw begonnen te vullen. Dan nog viel het niet makkelijk om melaatsen te onderscheiden van verminkten, al dan niet door zelfverminking. Voor melaatsen was het een uitkomst: “Opgaan in de zee van bevriezingsgevallen was gunstiger, was meer in de mode en viel minder op.”
In het kamp van Sjalamov onderzoekt dokter Krasinski, “een liefhebber van boeken van Jules Verne (waarom?)”, de ziekenbroeder Fjodorenko, en luistert naar zijn ‘pluis/niet-pluis’-gevoel:
“Nee, dat was geen trofische zweer, geen verminking ten gevolge van een ontploffing of een slag met een bijl. Dit was langzaam ontbindend weefsel. (…) Dit was lepra! Dit was het leeuwenmasker van een melaatse. Een mensengezicht dat op de kop van een leeuw leek. Krasinski bladerde koortsachtig in zijn handboeken. Hij pakte een grote naald en prikte in een van de witte vlekken waar de huid van Fjodorenko vol mee zat. Het deed helemaal geen pijn!”
“Nee, dat was geen trofische zweer, geen verminking ten gevolge van een ontploffing of een slag met een bijl. Dit was langzaam ontbindend weefsel. (…) Dit was lepra! Dit was het leeuwenmasker van een melaatse. Een mensengezicht dat op de kop van een leeuw leek. Krasinski bladerde koortsachtig in zijn handboeken. Hij pakte een grote naald en prikte in een van de witte vlekken waar de huid van Fjodorenko vol mee zat. Het deed helemaal geen pijn!”
Dronken omarming
Fjodorenko werkte immers maandenlang in het ziekenhuis en de latente periode van het moment van besmetting tot het zich manifesteren van de uiterlijke symptomen van de ziekte duurt jaren. Koortsachtig onderzoekt men alle bewoners van het ziekenhuis en Sjoera Lesjtsjinkskaja – een verpleegster, pas enkele maanden werkzaam in het ziekenhuis – blijkt ook besmet. Beneden in de kelder, richt men twee cellen in waar Fjodorenko en Lesjtsjinkskaja worden gevangen gezet. Maar de twee besmette gevangenen halen de balken van de cel los, banen zich een weg door de gangen en stelen alle sterke drank uit de medicijnkastjes, brood uit de broodsnijkamer plus alle porties codeïne die ze kunnen vinden. Dan weten ze zich in te graven in een hol en barricaderen de toegang daartoe met balken, dekens en matrassen. Een barricade “tegen de wereld, tegen de bewakers, het ziekenhuis, het leprozenhuis, en zo leefden ze een paar dagen als man en vrouw samen, drie dagen, geloof ik.” Totdat ze gevonden worden, allebei naakt: “De mismaakte donkere armen van Fjodorenko omarmden het witte, glimmende lichaam van Lesjtsjinkskaja. Ze waren allebei dronken.” Dat is de stijl van Sjalamov: “eenvoudig proza, volstrekt ongekunsteld, met een nauwkeurig taalgebruik, waarin zich alleen van tijd tot tijd iets nieuws voordoet, iets dat de lezer nog nooit heeft gezien – een detail of een helder beschreven bijzonderheid. Aan de hand van deze details zal de lezer zich verbazen en geloof hechten aan het hele verhaal…” [6] De verhalen zijn een geslaagde toepassing van de kunst van de litotes, een classicistische stijlfiguur die met zo weinig mogelijk woorden een maximum aan betekenis en zeggingskracht wil overbrengen. Met behulp van deze techniek van schrale woordeenvoud en tot het uiterste gevoerde intoming van pathos, schreef Sjalamov zijn oeuvre. Miskend, ook dat nog, want bij leven verscheen, behalve enkele gedichten, slechts één Kolyma-verhaal in Rusland. [6] De verhalen uit Kolyma bedragen meer dan duizend pagina’s in de Nederlandse vertaling. Wat een mens ook zegt, hoeveel zinnen hij ook schrijft, in voldragen hoofdzinnen, vernuftige bijzinnen, al dan niet in een fraaie cadans, en ingebedde bijzinnen met wellicht een zachtmoedige knipoog of traan: wat hij verzwijgt is nog immenser, weidser ook. Zoals Albert Camus stelde: “Een mens is meer mens door wat hij verzwijgt dan door wat hij zegt”. [7]
Literatuur
1. Sjalamov V. De handschoen. In: De handschoen – Nagekomen berichten uit Kolyma. De Bezige Bij, Amsterdam 2006:125-57 [vertaling: Marja Wiebes].
2. White N. 2017. Latimeria chalumnae (On-line), Animal Diversity Web. Accessed September 27, 2018 at http://animaldiversity.org/accounts/Latimeria_chalumnae/ De complete literatuurlijst is, vanaf drie weken na publicatie in dit tijdschrift, te vinden op www.nvdv.nl.
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl