Vervel met tegenzin

Terug

5 min. leestijd

Delen via:

F. Meulenberg

Jaargang 2017

, volume 7

Artikel in PDF

Vlak nadat ik in 2000 in Zeeland ging wonen, ontmoette ik een jonge, ietwat spichtige vrouw van begin 20. Ze studeerde aan de Schrijversvakschool met als ultieme droom: dichter worden. Om in haar levensonderhoud te voorzien, werkte ze als cipier in een Rotterdamse gevangenis. Nou hebben jonge vrouwen iets aandoenlijks in zijn algemeenheid (althans in de ogen van oudere mannen). Dat geldt nog meer voor jonge vrouwen die gedichten willen schrijven. Roekeloze onderschatting ligt dan op de loer.

Mitose

Ze groeide vervolgens uit tot een heuse dichter, won diverse literaire prijzen met als voorlopige hoogtepunten de VSB-Poëzieprijs 2013 en de benoeming, in januari 2017, tot Dichter des Vaderlands. Haar naam: Ester Naomi Perquin. Sinds onze kennismaking hebben we altijd contact gehouden, met als smalle doch oerstevige basis: poëzie. En dat pakte op een gegeven moment goed uit. Enkele jaren geleden besloot de redactie van, wat nu heet, HEELdeHUID om vooraanstaande Nederlandse dichters te vragen een origineel gedicht te schrijven op het thema ‘huid’. Hoe echter al die dichters te vinden en te benaderen? Het antwoord: via Ester. Zij bleek graag bereid om als tussenpersoon te fungeren. Zo kwam het dat we in de afgelopen jaren originele gedichten konden publiceren van onder andere Remco Campert, Leo Vroman, Mark Boog, Kira Wuck, Lieke Marsman, Eva Gerlach, Nachoem M. Wijnberg en Ingmar Heytze. Ester wilde echter vooral persoonlijk de aftrap voor de reeks verzorgen, met het gedicht Mitose:1

Toen we eenmaal wakker waren en onder de lakens de tijd bleven schatten, fluisterend over elkaar en onze huid, nog volledig overtuigd

van eeuwig overschreven lippen, neuzen, ruggengraten, de plekjes tussen lies en dij, hoe alles daar aan plaatsgevonden tasten zou bewaard –

We vergeleken ons. Musea, opslagplaatsen, kleine kamers
volgestouwd met apparaten waarin het zoemde van data. Wandelpaden. Tatoeages ook.

Beloof, zeiden we. Hoe vaak ook uit- en aangekleed, van kop tot voet gewassen, laat niet cel voor cel jezelf vervangen. Achteloos. Vervel met tegenzin.

Mitose of kerndeling is het proces waarbij de chromosoomparen paarsgewijs uit elkaar gaan, een onderdeel van de celcyclus. Perquin beschrijft dat biologisch proces niet alleen in het individu maar transponeert die celdeling verrassend naar het leven met een partner: een soort twee-eenheid die volgens romantische inzichten met elkaar wil versmelten (met “eeuwig overschreven” lichaamsdelen). En dat elkaar beloven. Niets kan de biologische celdeling stoppen maar de partnervariant behelst een waarschuwing. Vervel niet te snel, of zoals de dichter zegt: “Vervel met tegenzin”, omdat dit de enige manier is om je eigenheid en individualiteit te bewaren.

Schilfer voor schilfer

Eén van de dichters die op onze verlanglijst staat is dichter, schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra die is opgeleid als godsdienstwetenschapper. Haar poëzie in de bundel Meer hoef dan voet getuigt van haar nieuwsgierige en onderzoekende manier van waarnemen. Daarbij de mens ziende als een bescheiden schakel in de genetische ketting van de evolutie, in het gedicht Over God: 2

Het gebeurde in een zomer, iedereen sliep nog, maar ik lag wakker en trok
aan mijn huid, die meegaf!, laag voor laag, Gods gangenstelsel bleek te beginnen in mij, open mens.

Niet langer gehinderd door vel liep ik de route van wonderen, zag met eigen ogen de bezeten olijven, bolle maagden, leeuwen die lammeren likten, schilfer voor schilfer kwam ik dichterbij, tot bijna, tot God zich bedacht,

de route doodliep op een stekelige laag, daaronder niets verhevens maar bloed. De huid begon schijnheilig te ontkennen, herstelde zich van knallend
rood naar een kalm soort zalm, met hier en daar streepjes potdicht weefsel.

Aan het slot van de eerste strofe verbindt Van Heemstra religie en erotiek fraai met elkaar – via de huid – alsmede de suggestie dat kennis van het goddelijke alleen mogelijk is door het verwerven van zelfkennis. Het vervellen van Perquin vindt hier een contrapunt in het schilfer voor schilfer naderen van het goddelijke, het wezenlijke van het bestaan. Uiteindelijk strandt die ontdekkingstocht op het potdichte weefsel van de huid met de kleur van “een kalm soort zalm”. En wat houdt die huid bijeen? Collageen. Onder die titel schreef Van Heemstra het volgende gedicht:3

Het is begonnen. Het traag opdrogen van mijn lach, mijn frons, de vorm waarin ik jaren mijn lippen heb geplooid om te doen alsof ze voller waren.

Er is nog wat vet om in te schuilen, restjes elastiek en jeugd, vel van niemand in het bijzonder, maar de rest is onherroepelijk mezelf.

Mijn pruilen, mijn knipoog, onvrede rond mijn mond, alles
wordt met gevoel voor detail verhaald op de bleke lap die tot voor kort van iedereen had kunnen zijn.

Mijn ware aard ligt nu onbeschermd op mijn gezicht, uniek vertakt, ik ben steeds minder met een ander te verwarren.

Elasticiteit

Collageen is verantwoordelijk voor de stevigheid en elasticiteit van de huid. Tijdens het vernieuwingsproces van de huid wordt op jonge leeftijd voldoende collageen gemaakt om de huid jong, stevig en soepel te houden. Na het 25e levensjaar neemt de productie van collageen gestaag af. Hierdoor veroudert de huid en ontstaan er rimpels, de huid wordt slapper en effecten van buitenaf hebben een grotere invloed op de huid. Of, zoals Van Heemstra het zegt: op jeugdige en jongvolwassen leeftijd zijn we allen eender, met een inwisselbare “bleke lap”, want strak in het vel. Pas als de productie van collageen afneemt, ontstaan kraaienpootjes rond mond en ogen (“geplooid”). Het zijn vertakkingen die de mens zijn unieke uiterlijk verschaft en daarmee zijn of haar identiteit bepaalt. Een lichamelijke zelfonthulling dus met dank aan afnemende elasticiteit, waarbij men – denkbeeldig – het risico loopt dat de huid zomaar van het gezicht kan waaien.

Meerwaarde

Poëzie en wetenschap hebben in de regel een moeizame relatie. Ergens valt dat te begrijpen omdat wetenschap zoekt naar antwoorden en ontraadseling, waar poëzie juist speurt naar vragen en raadselen. Of, zoals Ester Naomi Perquin het formuleert: “Zoek naar wat verdampt, verpulvert. Zoek naar de aarzeling / en ongemak. De raadselachtigheid” en “Schrijf op wat er gebeurde toen je niet keek”.3 Er zijn ook mensen die poëzie categorisch afwijzen.4 Uiteraard denken dichters zelf daar anders over. De meerwaarde van poëzie is volgens dichter en NRCjournalist Marjoleine de Vos: “Poëzie is de mooiste, overbodigste versiering van het leven die er is en tegelijkertijd is het een hoogstnoodzakelijk genre waarzonder het leven veel moeilijker zou zijn.”5

Literatuur

1. Perquin EN. Mitose. Huid&Haar 2011;3:9.
2. Van Heemstra M. Meer hoef dan voet. De Bezige Bij, Amsterdam 2014:15,48.
3. Perquin EN. Meervoudig afwezig. Van Oorschot, Amsterdam 2017.
4. Lerner B. The Hatred of Poetry. New York: Farrar, Straus and Giroux; 2016.
5. De Vos M. Een gedicht smaakt ook bij zuurkool. NRC Handelsblad 12-6-1997.

Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl