F. Meulenberg
Jaargang 2017
, volume 8
Correspondentieadres:
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl
Fotografie:
Natascha Kwee
Studente geneeskunde Leiden en fotograaf
In de speelfilm Ocean’s Eleven wil Danny Ocean (gespeeld door George Clooney: “doe mij maar een whiskey met een beetje whiskey”) in samenspraak met Rusty Ryan (Brad Pitt) zijn dreamteam criminelen samenstellen om tegelijkertijd drie casino’s in Las Vegas te beroven. Hij oppert als explosievenexpert de naam van Phil Turrentine. “Die is dood…”, zegt Brad Pitt, “…huidkanker”. Clooney: “Heb je bloemen gestuurd?” Verder zeggen ze er niets over.
Dat lijkt het lot te zijn van het melanoom in cultuuruitingen: in de marge, een toevalligheid of een noodlottige bijkomstigheid. Zo ook in De zomer hou je ook niet tegen van de Vlaming Dimitri Verhulst, het Boekenweekgeschenk uit 2015. Hoofdpersoon is Pierre Vantoren (64 jaar). Hij rijdt met zijn “hersenloze” zoon Sonny naar Zuid-Frankrijk. De geestelijk gehandicapte Sonny verblijft normaal in een tehuis in Amsterdam. De jongen is nu zestien jaar en Pierre wil zijn “ersatzzoon” een passend geschenk geven: een vertelling over zijn eigen leven, zijn liefde voor de moeder van Sonny en haar grote kinderwens. Tijdens een onderbreking van hun relatie blijkt de vrouw zwanger van een andere man, en na de bevalling is het een zoon met “nullenbenul”, een “potplant”, in de woorden van Pierre.1 De lezer weet dan allang dat deze naamloze vrouw inmiddels is overleden. Aan het eind volgt de onthulling: “Grote rampen beginnen onnozel; in dit geval met een minuscuul vervormd geboortevlekje onder een oksel. Na drie maanden was ze geveld.” Kortom, een melanoom. Beginnend met een onschuldig lijkend plekje, dat zich kwaadaardig ontpopt tot een ingebonden noodlot.
Kankerpaviljoen
Een klassieke vindplaats voor literaire kankergevallen is de roman Kankerpaviljoen van Nobelprijswinnaar Alexander Solzjenitsyn, waar in een korte dialoog een moedervlek ter sprake komt die ontaardt in, wat men destijds noemde, een melanoblastoom:
“O-o-o-oh! Wat een…! ’t Is helemaal zwart.”
“Het is al zwart sinds mijn geboorte. Ik had hier een grote moedervlek, maar je kunt zien dat hij gedegenereerd is.”
“Wat is dat daar?”
“Dat zijn drie fistels die over zijn gebleven na elk van de drie keren dat hij open ging. Weet je, Dyoma: mijn tumor is heel ander dan de jouwe. De mijne is een melanoblastoom, dat is echt een genadeloos kreng. Meestal ben je er in acht maanden geweest.”2
Kankerpaviljoen is geen vrolijk stemmende roman – dat zal niemand verbazen – over patiënten, dokters en verpleegkundigen in een ziekenhuis voor mensen met kanker. Patiënten delen hun emoties, vertellen elkaar verhalen over hun ziekte en behandeling – en vooral over hun angsten en verwachtingen. Ontkenning van symptomen en ziekte is populair – dokters en zusters doen het, patiënten doen het even gretig. Over ziektepercepties van kanker in deze roman verscheen enkele jaren geleden overigens een mooi artikel van de Leidse emeritus hoogleraar psychologie Ad Kaptein.3
Moedwil
Sinds enkele jaren is het melanoom bezig aan een opmars, niet alleen in werkelijkheid maar ook in fictie. Neem de bestseller Zomerhuis met zwembad van Herman Koch. Hoofdpersoon en verteller is Marc Schlosser, een huisarts die geklede lichamen al erg genoeg vindt: “Geen huidplooien waartussen het altijd te warm is en de bacteriën vrij spel hebben, geen schimmels en ontstekingen tussen de tenen, onder de nagels, geen vingers die ergens aan krabben. (…) Dokter, hier is de jeuk het ergst.”4 Deze huisarts reserveert twintig minuten per patiënt (“patiënten verwarren tijd met aandacht”) en vult die tijd “met de illusie van aandacht, kan ik beter zeggen”. Zijn walging is te proeven: “Een vrouw van honderdvijftig kilo die je ergens moet onderzoeken waar je hoopte nooit meer te hoeven komen.” Het is duidelijk: dit is een sarcastisch en soms zelfs cynisch sujet. Alle relationele verwikkelingen in deze soapachtige keukenmannenroman doen hier verder niet ter zake. Wel dat een zelfvoldane acteur, Ralph Meier, het spreekuur bezoekt. Deze Ralph heeft een oogje op de vrouw van de huisarts, terwijl Marc later een affaire begint met Ralphs echtgenote. Ralph wijst tijdens het consult op een plek op zijn been. De glibberige en jaloerse Marc ziet het meteen: een melanoom. Maar dat deelt hij de patiënt niet mee. Daarentegen zegt hij dat het in 99 procent van de gevallen gaat om vetbulten: “gewoon een soort wildgroei onder de huid. De cellen slaan op hol. Evengoed vervelend, maar niet iets om je ongerust over te maken.”
Dan gaat hij opzettelijk de plek incideren, steeds dieper tot in het gezonde weefsel, denkend: “De cellen uit de zwelling zouden in de bloedbaan terechtkomen en zich zo over het lichaam verspreiden. Uitzaaiingen… ik heb het altijd een mooi woord gevonden.” Pro forma schrapt hij nog wat weefsel weg en doet dat in een potje voor pathologisch onderzoek. Echter, hij gooit het potje in de pedaalemmer zodra de patiënt is vertrokken. Marc krijgt zijn wraak en Ralph kiest uiteindelijk voor euthanasie, vanwege het gemetastaseerd melanoom. Hiermee schendt Marc niet alleen één van de kernprincipes van medische ethiek, het primum non nocere (niet-schaden), maar overschrijdt hij nog verdere morele grenzen: hij veroorzaakt de dood. Een misverstand? Nee, moedwillig.
De zaak komt aan het rollen door een specialist in het ziekenhuis die het dossier doornam, vanwege het euthanasieverzoek. Marc moet zich verantwoorden bij het medisch tuchtcollege. Hij maakt zich daarover geen zorgen, en vertrouwt op het hoge ‘ons kent ons’-gehalte binnen de zorg: “Een schorsing van een paar maanden, daar komt het op neer. We kennen elkaar allemaal, meer zal het niet worden.” Marc Schlosser is een nare vent. Een onberekenbare schuinsmarcheerder die het als huisarts met ethische principes niet zo nauw neemt. Waarom is het zo moeilijk om je als lezer te identificeren met deze hoofdpersoon of, op zijn minst, enige sympathie voor hem te voelen? De reden is, dunkt mij, tweeledig. Allereerst communiceert cynisme nauwelijks. Cynisme slaat dood. Daarnaast koos Koch voor een huisarts zonder empathisch vermogen, iemand zonder sporen van professionele nieuwsgierigheid. Koch maakt echter handig gebruik van een alwetend verteller waardoor hij de spanning en de morele dilemma’s alsnog redelijk kan belichten, van diverse kanten.
Er zijn meer romans over een arts die zich geconfronteerd ziet met ethische dilemma’s. Zoals Willem Jan Ottens Ons mankeert niets. 5 Otten koos echter niet voor een alwetend-verteller, zoals Koch deed, maar voor de kille huisarts Justus als ik-verteller. Ottens keuze voor een ik-verteller maakt dat de lezer, die alle gebeurtenissen ‘ziet’ door de ogen van Justus, in het geheel niet kan meevoelen met deze man zonder mededogen. Dat vertelperspectief is daarmee weinig gelukkig en Ottens roman boet daardoor sterk in aan geloofwaardigheid. Dat stond echter Monica Soeting (filosoof, schrijfster, literair recensent en biograaf van Cissy van Marxveld) niet in de weg om te promoveren op een dissertatie over euthanasie in deze roman.6
Belangstelling voor de mens en het menselijk lichaam is onontbeerlijk voor iedere dokter. Nieuwsgierigheid ligt in het verlengde daarvan. Wat is er met deze patiënt? Wie is deze patiënt? Wat verwacht deze patiënt? Een dokter hoort nieuwsgierig te zijn naar het antwoord op deze vragen, tenminste voor zover ze het belang van de patiënt dienen. De patiënt geniet de belangstelling van de toegewijde dokter, maar zal zich ongemakkelijk voelen wanneer hij of zij zich object voelt van andere motieven. Nieuwsgierigheid werkt dus, maar nieuwsgierigheid om de eigen, al dan niet seksuele, behoefte te bevredigen stoort. Niet het belang van de patiënt, maar de eigen behoeftebevrediging komt dan centraal te staan. Dat geldt voor Marc in de roman van Koch en evenzeer voor Justus in de roman van Otten. Dokters maken soms verkeerde keuzes; romanschrijvers eveneens.
Literatuur
1. Verhulst D. De zomer hou je ook niet tegen. Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, Amsterdam 2015.
2. Solzjenitsyn, A. Kankerpaviljoen 1. De Boekerij, Baarn 1968:202.
3. Kaptein AA, Lyons AC. Cancer Ward – Patient Perceptions in Oncology. Journal of Health Psychology 2010(15)6:848- 57.
4. Koch H. Zomerhuis met zwembad. Anthos, Amsterdam 2011.
5. Otten WJ. Ons mankeert niets. Van Oorschot, Amsterdam 1994.
6. Soeting M. Tussen wet en werkelijkheid – Euthanasie in het licht van een roman van Willem Jan Otten en de filosofie van Maurice Merleau-Ponty. Universitaire Pers Maastricht,
Maastricht 2005.