J.J.E. van Everdingen, F. Meulenberg
Jaargang 2018
, volume 1
Paul de Cock (1931), sinds 1964 dermatoloog, was voorzitter in de periode 1984-1987. Onder voorzitter Martinus Jozias Woerdeman en een jaar later onder Eise van Dijk, was hij eerst penningmeester, voordat hij voor drie jaar de voorzittershamer overnam. Hiermee werd de traditie in stand gehouden het voorzitterschap afwisselend in te vullen door academici en niet-academici en de nieuwe voorzitter enige tijd warm te laten draaien in het bestuur. Waar het bestuur nu steevast vergadert in de Domus Medica, gebeurde dat destijds ook in Utrecht, maar dat was meestal een zaaltje in het Jaarbeurscomplex of een café aan de Mariaplaats.
Wat was in jouw eigen ogen je missie als voorzitter?
“Die zou ik niet zo een-twee-drie kunnen noemen. Het was vooral kijken hoe het loopt, en de boel in gang houden. In de jaren voor mijn voorzitterschap waren enkele projecten, zoals de nascholing, op stapel gezet en ik wilde de ontwikkeling van deze nieuwe projecten niet doorkruisen met alweer een nieuw project, zo dit al bestond. Je moet – vind ik – de hele tweede helft van de vorige eeuw in ogenschouw nemen om een (bestuurs)periode van drie jaar te kunnen beoordelen. Tot in de jaren zestig meenden we dat de wetenschappelijke vergaderingen van de NVDV en de regionale wetenschappelijke bijeenkomsten voldoende aanbod vormden ‘om goed bij te blijven’. Geleidelijk aan groeide echter de behoefte aan meer gestructureerde nascholing. Het woord ‘kwaliteit’ werd in die tijd nog nauwelijks gebruikt. Ik denk dat het tijdens het voorzitterschap van Jan Mali was, dat de NVDV startte met de nascholing, zoals we die kennen van de laatste decennia van de vorige eeuw (en wellicht ook nu nog). Deze werd aanvankelijk georganiseerd door een commissie van de vereniging, later door een zelfstandige stichting, naar ik meen, bedoeld voor alle Nederlandstalige dermatologen.”
Combinatie van functies
Hij maakt even een zijstap: “De verwevenheid met de NVDV was groot: mijn voorganger als penningmeester, Harco Kraak, was ook penningmeester van de nascholingscommissie. In die tijd dachten sommige leden van de vereniging – onder wie ikzelf – dat de functie van penningmeester van de nascholingscommissie qualitate qua werd ingevuld door de penningmeester van de NVDV. Toen de toenmalige voorzitter Martin Woerdeman mij polste voor het penningmeesterschap van de NVDV, reageerde ik dan ook: ‘Oké, maar ik wil niet tegelijk penningmeester van de nascholingscommissie worden.’ Ik was bang het te druk te krijgen.” Om vervolgens terug te keren op zijn oorspronkelijke betoog: “Eveneens onder het voorzitterschap van Mali werden een aantal werkgroepen gevormd, die aandacht schonken aan verschillende onderdelen van het vak en die tijdens nascholingen adviezen konden geven ter verbetering van de kwaliteit.
Zelf zat ik met Cock Dommering uit Rotterdam, de hoofdzuster van Mali, mevrouw Groels, en de psycholoog van Mali’s afdeling, Piet Duller, in een werkgroep, waarvan ik de naam ben vergeten. Deze werkgroep ontwikkelde ideeën om patiënten met een chronische huidziekte (constitutioneel eczeem, psoriasis) beter te kunnen begeleiden op psychologisch en/of maatschappelijk gebied. Wij gingen ook de boer op; zo herinner ik me dat Piet Duller en ik eens een college hebben gegeven in Nijmegen. Ook in Rotterdam heb ik gesproken, maar toen was professor Beek in zijn wiek geschoten. Cock Dommering heeft zelfs de televisie gehaald: hoe journalisten erachter kwamen dat wij belangstelling hadden voor psychologische en maatschappelijke problemen van onze patiënten, weet ik niet meer, maar Cock werd langdurig geïnterviewd, gezeten tussen de planten in de serre van haar huis.” Hij verontschuldigt zich: “Dit heeft uiteraard allemaal niets met mijn voorzitterschap te maken en het speelde zich af voordat ik voorzitter werd.”
Contactallergie
“De nascholing was – en is, denk ik – een groot succes, evenals de werkgroep die zich met allergologie en arbeidsdermatologie bezighield. Dat waren onder anderen Malten, Bruynzeel en Coenraads, nu ofwel overleden of met pensioen. Onder hun leiding was er bijvoorbeeld een jarenlang lopend landelijk onderzoek naar contactallergie voor cosmetica, onder andere in samenspraak met de cosmetische industrie. Het onderzoek werd gesteund door een in cosmetica gespecialiseerde chemicus van de GGD in Enschedé, die voor de dermatoloog de samenstelling van een cosmeticum kon onthullen en hem/haar – indien verkrijgbaar – monsters van de samenstellende bestanddelen toestuurde voor het doen van plakproeven. Voor de perifere dermatoloog en vooral voor de patiënt is het belangrijk om in voorkomende gevallen te weten, welk cosmeticum je wel en welk je niet kunt gebruiken.”
Hoe was de samenwerking tussen dermatologen onderling?
“Onze leden waren van oudsher vaak solisten en daar had je weinig zicht op. Anderzijds kwamen er geleidelijk meer maatschappen met subspecialisaties. Zo groeide ook mijn eigen maatschap geleidelijk naar zes personen.” Hij stapt over op een andere thema: verzekeringen.
Declaratiecode
“Menig Nederlander was toen via het ziekenfonds verzekerd. Een beroemde declaratiecode was 1800, die stond voor oppervlaktebestraling; 1800a was een bestraling van een tot en met drie velden, 1800b van vier tot en met zes velden enz. met als maximum 1800d. De vergoeding van deze verrichting steeg naarmate er meer velden werden bestraald. Ik reed wel eens door Den Haag met collega Peter Bakker langs het huis van een niet nader te noemen dermatoloog. En dan zeiden we tegen elkaar: ‘Kijk, daar woont 1800d’.
Toch bleven vakinhoudelijke discussies niet uit: “In mijn tijd was bestraling als therapie feitelijk achterhaald. Mali was voorstander, hij heeft nog een keer een artikel geschreven over bestraling van therapieresistente voetwratten in Medisch Contact, en kreeg forse repliek van assistent Frans Rampen, die drie jaar radiotherapieopleiding achter de rug had.”
Wat hebt u wel en wat hebt u niet weten te bereiken?
Het geheugen moet nu diep graven in het rulle zand van de herinnering: “We hebben de trein rijdende gehouden, ik geloof dat dat onze grootste verdienste was. Wel hebben we ons vrij fel verzet tegen huidtherapeuten. Het was niet zozeer de vrees dat huidtherapeuten een deel van ons werk zouden overnemen, maar we wilden niet dat een deel van het ‘budget dermatologie’ naar de huidtherapeuten zou worden overgeheveld.
Eén van mijn voorwaarden om voorzitter te worden was dan ook dat minstens één van de opleiders zitting zou nemen in het bestuur.
Mijn bestuur realiseerde zich echter goed dat een patiënt baat kan hebben bij (adviezen voor) een goede huidverzorging. Maar overheid en ziektekostenverzekeraars dienen hiervoor een apart budget te creëren – zo was ons standpunt – al of niet via het ziekenfonds.”
Spijtje
Wat was de kracht van de NVDV?
Zonder enige aarzeling: “De homogeniteit van de groep! Die eensgezindheid was mijns inziens gewenst om een krachtig en duidelijk standpunt in te nemen, zowel tegenover dissidenten binnen de vereniging als tegenover derden. En zeker voor een perifere dermatoloog in de functie van voorzitter is het noodzakelijk, dat hij – alvorens hij beleidsvoorstellen ter beslissing aan de vereniging voorlegt – zich terdege op de hoogte stelt van de laatste ontwikkelingen op het vakgebied. Het is duidelijk dat er verschillende valide opvattingen of hypothesen over een bepaalde zaak kunnen bestaan; de voorzitter dient er zich echter wel – tot op zekere hoogte – van te vergewissen. Vandaar dat ik voortdurend met Jan en alleman belde.”
Hebt u ergens spijt van?
‘Spijt’ is een te groot woord voor De Cock, hij heeft hooguit een ‘spijtje’: “Er lag een voorstel van de KNMG om 0,5-1% hydrocortisoncrème te laten verkopen door apothekers zonder recept. Het bestuur was het in meerderheid wel eens met het voorstel van de KNMG, maar de ledenvergadering niet, zodat de NVDV het voorstel van de KNMG verwierp. Ik moet zeggen dat ik het niet zo’n belangrijk punt vond; ik heb het voorstel dan ook niet zo energiek verdedigd. Achteraf gezien, denk ik dat we daarin hadden moeten meegaan. Daar was de patiënt mijns inziens niet slechter van geworden.” Hij kijkt “met enorm veel plezier” terug op zijn bestuurstijd. “Ik heb er veel van geleerd, je doet veel waardevolle contacten op waar je later weer plezier van hebt. Wat je daarvoor nodig had? Tijd, en dan vooral tijd om veel te overleggen. Sommige mensen belde ik wekelijks. Het heeft me altijd een beetje verbaasd en aangenaam verrast dat iedereen die ik lastigviel met vragen over de dermatologie en/of de NVDV, mij niet alleen welwillend maar vaak ook enthousiast te woord stond, zodat ik goed op de hoogte bleef. Ik ben hier nog steeds dankbaar voor.”
Dat past bij de ‘polderaar’ De Cock die als weinig anderen de meningen binnen de vereniging kon peilen. Hij lacht om de omschrijving ‘opiniepeiler’ als typering voor zijn functioneren. Sommige onderwerpen blijken van alle tijden… “Ach, de manpowerplanning was in mijn tijd al een heet hangijzer. Alom leefde de vrees dat er te veel dermatologen zouden komen. Ik weet nog goed hoe druk een bepaalde dermatoloog zich hierover maakte. Ik vond een goede regeling van de manpowerplanning erg belangrijk. Eén van mijn voorwaarden om voorzitter te worden was dan ook dat minstens één van de opleiders zitting zou nemen in het bestuur. Dat werd Willem van Vloten die weliswaar formeel nog geen opleider was, maar zich wel al als zodanig profileerde. Hij is mij later opgevolgd als voorzitter van het bestuur.”
Leiderschap
Welke eigenschappen moet een voorzitter hebben?
“Een voorzitter moet een verbindend figuur zijn, daarvan ben ik overtuigd. Iemand die de deelgebieden en al het kikkergedrag dat daarbij hoort binnen een vak bijeen kan houden en ook de belangen van de verschillende groepen of individuen aanvoelt en verdedigt. Dat is belangrijker dan een voorzitter als crisisbezweerder.”
En welke eigenschap miste u?
Lang nadenkend: “Uitgesproken leiderschap. Ik was geen Mali.” Maar dat weerhield hem er niet van om duidelijke beslissingen te nemen of kordaat op te treden. “Ik moest een keer oordelen over een collega-staflid dat niet goed functioneerde. Ik ben naar de man toegegaan, samen met een psychiater, in opdracht van de medische staf van een nu opgeheven ziekenhuis. We hebben lang gesproken met de man in kwestie die uiteindelijk zijn ontslag aanvaardde en het ziekenhuis verliet.”
Dat hij dermatoloog werd, is niet in de wieg beslist. Het lijkt erop alsof zijn ouders hem voorbestemden om priester te worden. In militaire dienst kwam hij als arts te werken in de (voormalige) legerplaats Ossendrecht. ‘‘Mijn functie was die van huisarts van de bevolking van de legerplaats en in mindere mate van bedrijfsarts van het militaire bedrijf. Als zodanig had ik wel contacten met specialisten van het ziekenhuis in Bergen op Zoom, onder anderen met de dermatoloog dr. Grosfeld. Ik vond dat hij een interessant vak had en erg aardig met patiënten omging; hij nam me ook mee naar patiëntendemonstraties in Rotterdam, naar de latere hoogleraar Hermans, bij wie ik na mijn diensttijd assistent in opleiding werd.”
Afkomstig uit het zuidelijke Sluiskil (Zeeuws-Vlaanderen), regelden zijn ouders veel voor hem. Hij was enig kind. Roeien is sinds zijn 35e zijn hobby. Niet als stuurman in een acht, zoals men bij een voorzitter zou verwachten, maar als skiffeur. Een leider, maar dan alleen in een boot.
Correspondentieadres
Jannes van Everdingen
E-mail: j.vaneverdingen@nvdv.nl