F. Meulenberg
Jaargang 2018
, volume 1
“Hij was een gastheer geworden voor ongenode gasten, voedsel voor een sterker organisme, dat zijn schrokkende cellen in een duizelingwekkend tempo muteerde. (…) Misschien deed het zich nu wel te goed aan de malse voedingsbodem van zijn lever of aan het sponzige grasland van zijn longen.” [1] Die gedachten razen door het hoofd van psychiater Julius Hertzfeld, 65 jaar oud, in de roman De Schopenhauer-kuur van Irvin D. Yalom.
Een week eerder zat Hertzfeld voor zijn jaarlijkse medische check-up bij internist Herb Katz, een oude vriend en studiegenoot. De internist is niet helemaal tevreden: bloeddruk en cholesterol zijn in orde, maar de prostaat begint wat op te zwellen. De schildklier lijkt minder goed te functioneren, en de botten – vooral het kraakbeen in knieën en rugwervels – verliezen hun stevigheid. “Verder gaat je huid achteruit: de cellen van je opperhuid zijn eenvoudig versleten, kijk maar eens naar die bruine ouderdomsvlekken op je wangen”. Wat de internist vooral zorgen baart, is één moedervlek, onzichtbaar voor Hertzfeld zelf, aan de onderkant van het schouderblad. Hij stuurt Hertzfeld door naar een dermatoloog met de opmerking: “Waarschijnlijk is het niets, maar laat hem er even naar kijken.” Maar “de gespannen en geforceerde nonchalance” van diens stem ontgaat Hertzfeld niet.
Monster
Drie dagen later meldt Hertzfeld zich bij dermatoloog Bob King. Die ziet meteen dat het niet in de haak is en legt het uit aan de hand van de toenmalige ABCD-vuistregel: asymmetrie, begrenzing, kleur (color) en diameter. De vlek op de rug heeft onregelmatige contouren en verheft zich duidelijk boven het huidoppervlak, de kleur is donkerbruin met spoortjes rood en de vlek is vrij groot terwijl deze nog geen jaar oud is (bij de vorige check-up zat de vlek er nog niet). Dan valt het zwartomrande woord: ‘melanoom’. King verricht een excisiebiopt. Een paar dagen later komt de uitslag binnen. Het is slecht nieuws: een dik melanoom waardoor er een verhoogde kans is op uitzaaiingen naar de lymfeklieren. Gevraagd naar de prognose antwoordt King dat het “niet onredelijk” is te hopen op nog een jaar van goede gezondheid. Thuisgekomen verdiept Hertzfeld zich in melanomen, maar dat verergert de situatie alleen maar. “Hij begon het melanoom te zien als een alles verslindend monster dat zijn gifzwarte tentakels diep in zijn vlees had geslagen.” Hoe verder, nu hij, na een zorgeloos leven, de dood, zijn tot dan toe onzichtbare vijand, in de ogen kan kijken? Ongeloof helpt niet, geloof evenmin.
Reebruine oogjes
Hoe anders is het verhaal Lotusbloemen van A.H.J. Dautzenberg. De naamloze verteller – een architect – opent zijn relaas als volgt:
“Ik kweek een melanoom op de rug van mijn vrouw. Zo’n echt gevaarlijk exemplaar: bruinzwart met een roze rand. De dood draagt vaak een jolig aureool.” [2] De toon is gezet, zoals dat heet, en de man vertelt verder. Na een huwelijk van 23 jaar, krabt en pulkt hij sinds drie maanden in een moedervlek op de rug van zijn vrouw. Zij is iemand die niet snel naar de huisarts gaat, uit vrees een ernstige diagnose te horen. Huichelachtig en zelfs cynisch geeft de verteller commentaar: “Liever laat ze zich door mij geruststellen, haar geduldige echtgenoot. En terecht.”
Hij is vooral benieuwd in welke organen zich de uitzaaiingen zullen openbaren. De longen? Lever (“dan wordt ze langzaam geel, een vet kuikentje op weg naar de slacht…”)? Of toch haar hersenen? Ook plukt hij korrels van de moedervlek, legt die op een theelepeltje, en houdt de gasaansteker erboven. De korrels schroeien weg en hij ruikt een geur die doet denken aan “wierook van lotusbloemen”. Achter zijn motief om haar “dood te krabben” liggen opeengestapelde gevoelens van verwijt en zelfs wraak. Het zijn de troosteloze, weggegooide huwelijksjaren waarbij de gedachten uitgaan naar de woorden die Max Frisch over zichzelf schrijft in zijn korte, autobiografische roman Montauk: “Er is een huwelijk voor nodig wil hij een monster worden.” [3] Wat wringt is de frictie tussen het leven dat hij leidt en het leven dat hij niet heeft geleid. Het echtpaar is kinderloos. Het beschuldigende vingertje gaat richting echtgenote: “uiteindelijk legde ze zich neer bij haar falen”. Een scheiding is niet aan de orde wat hem betreft, en derhalve krijgt het melanoom met zijn “reebruine oogjes en roze kapje” iets obsessiefs, als de hunkering naar een kind dat zich alsmaar niet aandient. Hij wordt ongeduldig vanwege de uitblijvende “aanwijzingen dat onder haar huid dood en verderf heerst. (…) Voor een melanoom aan zijn zegetocht begint, kunnen er blijkbaar jaren verstrijken” terwijl de moedervlek allengs in lagen omhoog groeit, als “kruiend ijs”. Parallel aan dit proces vindt hij zijn vrouw, paradoxaal genoeg, steeds mooier worden: “ter dood veroordeelde vrouwen worden aantrekkelijker, las ik in de memoires van een Koreaanse seriemoordenaar” en heeft hij woeste seks met haar. De moedervlek oogt smerig: “een gelooide donkerbruine moerbeiachtige vleesiglo probeert een dikke meikever te baren.”
Uiteindelijk slaagt zijn plan en diagnosticeert de huisarts een melanoom met metastasen in maag, longen en ruggenwervel. Men hoogt de morfine op tot “esoterische dimensies”. De vrouw wenst thuis te sterven maar daar wil de verteller niets van weten, ze moet naar een hospice: “In mijn huis sterven geen vrouwen. Mijn huis wordt een tempel van hedonisme en levenslust, geen mortuarium.” “Nog een week”, zo luiden de slotwoorden van het verhaal.
Welke route kiest Hertzfeld in de roman van Yalom, een auteur die zelf psychiater is, maar geen groot stilist? In het jaar dat hem nog rest, stort hij zich volledig op zijn groepstherapeutische praktijk – waar hij sinds de dood van zijn vrouw helemaal voor leeft. Daarbij betrekt hij ook een voormalige patiënt. Yalom wisselt de hoofdstukken over Hertzfeld, de voormalige patiënt en de therapiegroep af met stukjes biografie van Schopenhauer. Alle hoofdstukken hebben een citaat van Schopenhauer als motto. Toch is het niet diens filosofie die hem verder brengt. In het zoeken naar antwoorden op zijn levensvragen stuit Hertzfeld op het werk van een andere filosoof, Friedrich Nietzsche. Eén zin (uit Aldus sprak Zarathoestra) blijft hangen. Die bezorgt hem de gehoopte zingeving: “Om ‘zo was het’ te veranderen in ‘zo heb ik het gewild’ – alleen dat zal ik een verlossing noemen.” Anders gezegd: Hertzfeld moet een keuze maken. En voor alles zijn lot aanvaarden. Leef je leven, in plaats van geleefd te worden. Nietzsche vervolgt: “Zou je het leven zoals je het geleefd hebt tot in de eeuwigheid precies zo willen prolongeren?” Een gewetensvraag die het levenspad van menigeen kruist. Die boodschap doet Hertzfeld besluiten ook in zijn laatste levensjaar als therapeut te blijven werken. Daar was hij met hart en ziel aan verknocht. Nietzsches grondhouding kan voor iedereen nuttig zijn. Om het in twee woorden van de grote filosoof samen te vatten: “Leef intens.” Dit is ook wat Alain de Botton bedoelt met de troost van filosofie: “Tussen periodes van wroeten in het donker door moeten we immer trachten onze tranen in kennis om te zetten”. [6]
Zingeving
Met Dautzenbergs verteller denk ik dat iemands leven inderdaad in belangrijke mate wordt bepaald door de levens die hij of zij uiteindelijk niet heeft geleid. Of in de woorden van de Ierse grootmeester van het korte verhaal William Trevor: “Want we leven een leven van onvoltooide of nooit gevoerde gesprekken.” [7] Men leeft zodoende het leven dat resteert. Twee mensen in mijn omgeving zijn overleden aan een melanoom; geen van beiden met enige interesse in filosofie overigens. De eerste koos ervoor zijn gangbare bourgondische leven zo lang mogelijk voort te zetten, totdat hij zwalkend door hersenmetastasen letterlijk neerviel op het plein voor zijn huis om tot finale bedlegerigheid te geraken. De tweede, eveneens een man met een levensgenietende aanleg, stopte na het horen van de diagnose abrupt met alles wat hij graag deed, om uitsluitend nog met zijn ziekte bezig te zijn en erover te spreken. Ook met zijn vrouw. Op de vraag: ‘Hoe gaat het met je?’ volgde steevast als antwoord: ‘Ik krijg dan-of-dan de uitslag te horen.’ De houdingsverschillen tussen beide mannen zijn schrijnend. Het leven is zoveel rijker geschakeerd – in licht en donker – om louter te koersen op labuitslagen. We worstelen allemaal met thema’s als ziek zijn, afhankelijkheid, aftakeling en doodgaan. Hoe daarmee om te gaan? Er is een diepe behoefte bij mensen om bij zulke vragen stil te staan, want het gaat om zingeving, het ontdekken van waarden en de invulling daarvan. Als weinig andere zaken dwingt ziekte tot nadenken over zingeving, heet het. Dat is mooi, maar je kunt er volgens mij beter eerder mee beginnen. Ik herhaal de woorden van Nietzsche die als neonletters oplichten uit de roman van Yalom: “Leef intens!” En hou vast aan wat het leven die intensiteit geeft.
Literatuur
1. Yalom ID. De Schopenhauer-kuur. Balans, Amsterdam 2007 [Vertaling: Hannah Jansen].
2. Dautzenberg AHJ. Lotusbloemen. In: En dan komen de foto’s. Atlas/Contact, Amsterdam 2014:13-29.
3. Frisch M. Montauk. Meulenhoff, Amsterdam1976:109 [Vertaling Hans W. Backx].
4. Dautzenberg AHJ. A.H.J. Dautzenberg. In: En dan komen de foto’s. Atlas/Contact, Amsterdam 2014:299.
5. Vandamme S. Koele minnaars – Medische verwoording en literaire verbeelding van ziekte in verhalen. Acco, Leuven/Voorburg 2007.
6. De Botton A. De troost van filosofie. Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2000:227 [Vertaling: Tjadine Stheeman].
7. Trevor W. Heilige beelden. Meulenhoff, Amsterdam 2006 [vertaling Sjaak Commandeur].
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl