Carla Bruijnzeel-Koomen: “Focus op kwaliteit!”

Terug

10 min. leestijd

Delen via:

F. Meulenberg, J.J.E. van Everdingen

Jaargang 2018

, volume 8

Artikel in PDF

Van 1998 tot 2000 was prof. dr. Carla Bruijnzeel-Koomen bestuursvoorzitter van de NVDV. Een innemende, enthousiasmerende en gedreven persoonlijkheid. Ze heeft een sterk ontwikkeld ethisch kompas waardoor ze, al naar gelang iemands interpretatie of smaak, rechtlijnig dan wel doelgericht overkomt. Ze is een vrouwelijke vrouw die waardigheid en klasse uitstraalt. Alsmede strijdbaar, want ook internationaal profileerde zij zich als een voorvechter van vrouwenrechten. Zelf typeert ze zich milder: “Innovatief en nieuwsgierig, ambitieus met het hart op de goede plaats.”

Hoe bent u voorzitter geworden van de NVDV?
“Ik werd gevraagd door mijn voorganger Guus Glastra. Zij wilde het bestuur verjongen en ik werd haar opvolger toen de Academie aan de beurt was om een voorzitter te leveren.”

Heeft het voorzitterschap u ook iets opgeleverd in uw persoonlijke ontwikkeling/ in uw werk?
“Zeker. Allereerst een hele brede informatiestroom over wat er leeft in de NVDV, hoe de NVDV opgenomen is in de landelijke organisatie van medisch specialisten, welke ontwikkelingen er landelijk zijn in de zorg. Dus heel veel kennisinformatie. Daarnaast de verantwoordelijkheid om naar een grote doelgroep te luisteren, de belangen te leren begrijpen, strategisch te leren denken en hoe die te verwezenlijken. Belangrijk is ook: Hoe om te gaan met tegenstellingen? Dit zijn aspecten die ook bij het leidinggeven van een afdeling een rol spelen. En last but not least veel leden persoonlijk leren kennen, en leren waarderen hoeveel inzet sommige leden jarenlang voor de NVDV aan de dag leggen.”

Onafhankelijkheid

U hebt altijd ingezet op nascholing los van de industrie. Dat leek te slagen, maar bleek uiteindelijk niet houdbaar te zijn. Hoe kijkt u hierop terug?
“Ik vind het nog steeds een succes dat we het een paar jaar hebben volgehouden. Het had gecontinueerd kunnen worden, echter dan had er een bereidheid bij de leden moeten zijn om financieel meer bij te dragen. Die bereidheid ontbrak. Anderzijds was de lobby van de industrie sterk. Het was lastig om die te weerstaan.”
“Een mooi voorbeeld van onafhankelijkheid is het Department of Dermatology in Nottingham. Het is professor Williams tot nu toe gelukt om financieel onafhankelijk te kunnen zijn van de farmaceutische industrie. Ik denk dat hij het enige dermatologische centrum ter wereld is. Je ziet dat aan zijn onderzoeksstrategie. Hij werkt vanuit een aantal basale vragen met betrekking tot de karakterisering van het ziektebeeld constitutioneel eczeem. Hij beantwoordt deze vragen multidisciplinair waarbij hij naast patiëntenorganisaties en dermatologen ook nadrukkelijk de farmaceutische industrie uitnodigt om deel te nemen aan de discussie. Hij financiert dit met subsidies door non-profitorganisaties.” Ze heeft echter ook oog voor de keerzijde: “Voor het beantwoorden van onderzoeksvragen die een laboratoriumsetting nodig hebben en daardoor erg kostbaar zijn qua infrastructuur, is het nagenoeg onmogelijk om zonder financiële hulp van de industrie een consistente lijn op te zetten.” De brug naar één van de kernthema’s uit haar professionele leven is daarmee geslagen.
U hebt als hoogleraar en clinicus altijd veel gedaan voor mensen met constitutioneel eczeem. Hebt u door uw bestuursfunctie nog iets extra’s kunnen doen
voor deze patiënten?
“Indirect door het opzetten van een organisatiestructuur voor het kwaliteitsbeleid van de NVDV. Wij waren daar toen relatief vroeg mee. Ik heb de schets gemaakt tijdens het wachten op het vliegveld van Atlanta eind jaren negentig. Aan de basis lag het principe van een overkoepelende kwaliteitsraad die verantwoording aflegt aan het bestuur. De koepel werd gevormd door onder andere domeingroepen voor de belangrijkste/meest voorkomende dermatosen, richtlijncommissie, visitatiecommissie, foldercommissie, nascholingscommissie en de commissie accreditatie. De voorzitters vormden de kwaliteitsraad; zij hadden als opdracht ontwikkelingen op elkaar af te stemmen. Zoals het actualiseren van patiëntenfolders naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen, het bespreken van richtlijnen tijdens de landelijke nascholing et cetera.”

Kwaliteitsbeleid en nascholing

Wat was in uw ogen uw missie?
“Mijn missie was het kwaliteitsbeleid, zorgen voor afstemming van de verschillende activiteiten op dit gebied. Voor mijzelf trok ik daaruit de consequentie dat ik moest vooruitblikken, dingen met overtuiging doen en altijd kijken wat er beter kan.”

Wat voor eigenschappen moet iemand hebben om een goede voorzitter te zijn?
“Een visie hebben die gedragen wordt en deze kunnen verkopen naar betrokken stakeholders. Maar ook goed kunnen luisteren en flexibiliteit aan de dag kunnen leggen, waar nodig.”

Welke eigenschappen had u wel en welke niet?
“Misschien was ik niet altijd even flexibel op het juiste moment.”

Wat hebt u in uw bestuursperiode bereikt en wat niet?
“De Kwaliteitsraad heeft lang goed gefunctioneerd. De Kwaliteitsraad hebben we uiteindelijk ingeruild voor de Kwaliteitsdag in januari, waar de voorzitters van alle commissies en domeingroepen bij elkaar komen. Maar het principe van op deze wijze organiseren, het op elkaar afstemmen van activiteiten in een soort kwaliteitscyclus is nog steeds aanwezig. Zoals de koppeling tussen richtlijnen en nascholing, Zo heb ik ook doorgezet dat we als NVDV een nascholing zouden hebben los van onze Belgische collega’s om zodoende het Nederlandse kwaliteitsbeleid gestalte te kunnen geven. Dit omdat er, zeker toen, grote verschillen waren in kwaliteitsbeleid tussen België en Nederland. In België ontbrak die infrastructuur, waardoor de Nederlands-Belgische nascholing zijn oor wel erg liet hangen naar de industrie. Dat heeft voor nogal wat emoties gezorgd bij NVDV-leden die nauwe banden hadden met Belgische collega’s. Daarnaast ben ik in die tijd door Belgische collega’s gebeld die in nogal boze bewoordingen spraken. Het is goed dat er indertijd gekozen is voor een puur Nederlandse oplossing. De SNNDV met een eigen en onafhankelijk programma.”

Waar kijkt u met gepaste trots op terug?
“Zoals gezegd, het opzetten van de Kwaliteitsraad, het opzetten van een nieuwe NVDV-nascholing. Het gedachtegoed dat daar achter zat, is nu goed ingebed in het NVDV-beleid.”

Hebt u ergens spijt van?
“Nee of ik ben het vergeten.”

Bestuurskunst

Wat maakte de bestuursvergaderingen tot iets speciaals?
“Als ik daaraan terugdenk, krijg ik altijd een leuk beeld voor ogen: de heerlijke chocolaatjes en koekjes die Guus Glastra en Hanneke Muntendam meebrachten van de patisserieën uit hun dorp. En dat we als bestuur zo’n hecht en loyaal team waren. Het was ook voor het eerst dat vrouwen binnen de vereniging de boventoon voerden.”

Wat was in uw tijd de kracht van de NVDV?
“Een speelse glimlach tekent zich af op haar gezicht als ze de vraag met een knipoog terugkaatst: “De kracht van de NVDV was dat we een Jannes van Everdingen ‘hadden’. Hij was enorm goed ingevoerd in wat toen nog de Orde van Medisch Specialisten heette. Hij zat bij wijze van spreken bij de voorzitter op schoot en kon daardoor voor de NVDV allerlei krenten uit de pap halen. Dat betaalde zich uit, want wij konden bij veel nieuwe initiatieven van de Orde een pilotrol vervullen. Dat vond ik fantastisch.”

En wat was de zwakke kant?
“Die werd vooral zichtbaar als persoonlijke belangen van leden indruisten tegen de gemeenschappelijke belangen van de NVDV als geheel. En dat in velerlei opzichten: qua financiën, arbeidsmarkt en kwaliteitsbeleid. Wat moet een mens als leden hierop reageren met een achteloze opmerking als: ‘Prachtig, maar ik wil er geen last van hebben.’ Dat is een dooddoener die je onthand maakt. Wat mij ook opviel, was de beperkte inzet voor de vereniging van jongere leden, terwijl het toch over hun toekomst ging.” Resumerend: “Het is bestuurlijk een uitdaging en kunst om tegenstellingen tussen persoonlijke belangen, verenigingsbelangen, patiëntbelangen en overheidsbelangen in vruchtbaar beleid om te zetten.”

Heden en toekomst

Hoe ziet u de NVDV anno 2018?
“De NVDV is de coördinator van beroepsbelang, kwaliteit van zorg en patiëntenbelang.”

In die volgorde?
“Nou, niet persé. De ene keer staat het één voorop, de andere keer het andere belang. Zelf heb ik de meeste affiniteit met de laatste twee aspecten, maar je kunt alleen goede kwaliteit en goede patiëntenzorg leveren als ook de randvoorwaarden kloppen. Een praktijk moet ook goed zijn uitgerust, alsmede goed ondersteund. Dan zijn er geen spanningen en kan de tent optimaal draaien.”

En schets een fata morgana van de NVDV over pakweg tien jaar…
“Dan hebben we patiëntenorganisaties opgenomen in een gezamenlijke strategie, en ze hebben misschien zelfs zitting in het bestuur. Dus niet langer het groepsbelang benadrukken.”

Groeien we daar niet al een beetje naartoe?
“Ja, wij hebben nu ook al een patiëntvertegenwoordiger in de Autorisatiecommissie. Wij zijn de enige wetenschappelijke vereniging die dat heeft. Dus ook hierin lopen we op de troepen vooruit.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de NVDV in uw tijd en de huidige NVDV?
“Het is een veel drukker speelveld, met meer stakeholders. Het hele kwaliteitsdenken stond destijds nog in de kinderschoenen. We hebben nu veel meer PR-exposure, de NVDV is duidelijk veel zichtbaarder. Ja, dat zijn goede ontwikkelingen. Jammer dat de club niet meer zo hecht is als vroeger, maar dat is een meer maatschappelijk probleem. Mensen hebben tegenwoordig zo veel nevenactiviteiten.”

Hoe kijkt u aan tegen het grote aantal jonge dermatologen?
“Ze zijn fantastisch en goed opgeleid. Als NVDV hebben we de plicht om ervoor te zorgen dat al deze goed opgeleide mensen werk vinden.”

Welke NVDV-activiteiten hebt u nog verricht na uw bestuursperiode?
“Voorzitter van de Kwaliteitsraad en voorzitter van de Domeingroep eczeem en allergie.”

Gendergelijkheid

Hebt u nog een boodschap?
“Ja eigenlijk wel. Ik heb mij altijd ingezet voor meer vrouwen aan de top. In mijn afscheidsrede ben ik daar ook op ingegaan. Het kan niet vaak genoeg worden gezegd: in 1991, het jaar van mijn benoeming tot hoogleraar, was het landelijke percentage vrouwelijke hoogleraren slechts 6%; het percentage is sindsdien toegenomen tot 19%. Dat is deels goed nieuws, maar het minder goede nieuws is dat deze groei wel erg langzaam gaat. Als het in dit tempo doorgaat, duurt het nog tot 2050 misschien zelfs wel tot 2060 voordat er gendergelijkheid is in de top van de academie. Dit geeft mij een ongemakkelijk gevoel omdat al vele jaren, in veel disciplines, in de geneeskunde zelfs al ruim twintig jaar, het percentage vrouwelijke studenten ver in de meerderheid is. Dat betekent dat er intussen voldoende vrouwelijk talent aanwezig is om volop academische topposities in te nemen.”
“Het bewustzijn dat er in de top van de academie te weinig vrouwen zitten en de intentie om daar iets aan te doen, is al geruime tijd aanwezig. In Utrecht bestaan al jaren stimuleringsprogramma’s voor getalenteerde vrouwen. De gezamenlijke universiteiten in Nederland hebben streefpercentages genoemd voor 2020. De Universiteit Utrecht is er trots op dat zij in 2017 voor het eerst in haar bestaansgeschiedenis meer vrouwen dan mannen op leerstoelen heeft benoemd. Maar is het genoeg? Gelukkig is de overheid nu zover dat zij de trage groei van vrouwen in academische topposities niet langer accepteert; zij is in actie gekomen. De in 2017 ingestelde 100 extra leerstoelen voor vrouwelijke academici van minister Bussemaker waren een eerste nog vriendelijk dwangmiddel. Haar opvolger, minister Van Engelshoven, wil de universiteiten strak aan hun streefpercentages houden. Zij sluit harde maatregelen niet uit wanneer de beloofde groei met 200 vrouwelijke hoogleraren in 2020 niet wordt gehaald. Aan het eind van mijn loopbaan geeft het mij een geruststellend gevoel dat de overheid langzaamaan tot het inzicht komt dat vrouwen een voorkeursbehandeling moeten krijgen en wel totdat de verhoudingen rechtgetrokken zijn en zowel vrouwelijk als mannelijk toptalent in een gezonde balans met erkenning van elkaars kwaliteiten de wetenschap kunnen vormgeven en uit kunnen dragen. Het doet mij daarnaast uiteraard genoegen dat vrouwen binnen de NVDV de overhand hebben, en dat drie van de vijf bestuursleden vrouw zijn.”

Dubbelleven

U leidde een dubbelleven: in de weekends ging u meer dan twintig jaar naar Schouwen-Duiveland. Waarom? Wat maakte die plek voor u aantrekkelijk?
“Toen we in 1992 uit Davos terugkwamen en in de stad Utrecht gingen wonen, werden we in de weekends bedolven onder de sociale verplichtingen en de verleidingen van de grote stad. In Davos waren we gewend vrijwel alle weekenden samen in de natuur door te brengen. Onder andere daardoor was dat een fantastische tijd. We bedachten dat deze verandering van leven in combinatie met twee drukke banen het investeren in gezamenlijke activiteiten onder druk zou zetten. Dus we verlangden weer terug naar het soort leven dat we in Davos leidden. Daarom kochten we in 1994 een huis in Burgh-Haamstede, omdat daar, volgens ons, de mooiste natuur van Zeeland is. We spraken af dat we daar elk weekend van vrijdagavond tot zondagavond heen zouden gaan, inclusief de vakanties. Met daaraan gekoppeld de afspraak dat het van vrijdagavond 18 uur tot zondagavond 20 uur niet toegestaan was om te werken. Dat gaf enerzijds druk in de werkweek maar anderzijds een enorm gevoel van vrijheid en ontspanning in de weekends. Dat gaf op maandagochtend het gevoel eventuele problemen op het werk gemakkelijk te kunnen oplossen. Ook dochterlief die toen pas 6 jaar was, genoot met volle teugen van de weekends in Burgh-Haamstede. Wij vroegen vaak waar ze in de weekends liever was, in Utrecht of in Burgh-Haamstede. Volmondig koos zij dan voor Zeeland omdat, zo zei ze, wij daar alle tijd voor haar en voor elkaar hadden.”

Saudade

U woont nu in Lissabon. Waarom Lissabon?
“Onze dochter is in 2010 in Boston op straat een Portugese jongen tegengekomen; een dag later was het ‘aan’ en in 2016 zijn ze in Obidos getrouwd. Sindsdien komen wij vaak in Lissabon en omstreken en zijn we verliefd geworden op het land, de mensen en Lissabon als stad. Eind 2015 besloten we dat we 1 januari 2018 onze werkzaamheden zouden stoppen en dat we daarna zouden vertrekken naar Lissabon om daar ons leven verder te leiden.”

Wat betekent die stad of het land Portugal voor u?
Ze kan haar gretigheid nauwelijks onderdrukken: “Nieuwe cultuur, nieuwe taal, nieuwe activiteiten, kortom een nieuw project.”

Welke Portugese dichter of schrijver moeten we volgens u lezen?
Uiteraard José Saramago auteur van onder andere De stad der blinden, Memoriaal van het klooster maar hij heeft zoveel meer geschreven. Ook Antonio Lobes Antunes: Als een brandend huis en Reis naar het einde en vooral José Maria de Eça de Queiros’ De Maias.”

Deelt u het Portugese ‘duende’-gevoel?
Ze corrigeert ons, en dat doet ze graag: “Duende is een Spaans woord en begrip; het Portugees kent het onvertaalbare woord saudade: het gevoel van nostalgische heimwee dat er altijd is, zowel positief als negatief.”

Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl