F. Adan, M.B. Crijns, W.S.E. Zandstra, M.W. Bekkenk, F.E. Bleeker, E. Dekker, M.E. van Leerdam
Jaargang 2018
, volume 8
Het lynchsyndroom is een autosomaal dominant erfelijke aandoening die een verhoogde kans geeft op het ontstaan van darmkanker, baarmoederkanker en sommige andere vormen van kanker. Het lynchsyndroom wordt veroorzaakt door een kiembaanmutatie in een van de vier DNA-mismatch-repair-genen MLH1, MSH2, MSH6 en PMS2 of verlies van expressie van het MSH2-gen door een deletie in het EPCAM-gen. [1] Het muir-torresyndroom wordt gezien als een variant van het lynchsyndroom, waarbij patiënten zich presenteren met talgkliertumoren en/of keratoacanthomen. [2,3] Beperkte studies en casereports suggereren dat er een relatie bestaat tussen het lynchsyndroom en andere benigne en (pre)maligne huidtumoren. [4,5] Echter, volgens de huidige richtlijn wordt alleen patiënten met talgkliercarcinomen geadviseerd om zich te laten controleren door een dermatoloog. [6]
Het doel van onze studie is het evalueren van het cumulatieve risico op huidtumoren bij patiënten met het lynchsyndroom. Daarnaast bepalen we de incidentie van het muir-torresyndroom in een groot cohort van families met het lynchsyndroom. Op basis van deze resultaten zullen we een voorstel doen voor dermatologische screening.
Onderzoek
Patiënten met het lynchsyndroom, allen met een bewezen kiembaanmutatie, zijn geïncludeerd in twee Nederlandse ziekenhuizen tussen 1 januari 2000 en 1 oktober 2016. De medische voorgeschiedenis van patiënten en hun families is verzameld met statusonderzoek, pathologieonderzoek en een vragenlijst die naar patiënten is verstuurd. Het PathologischAnatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) is gebruikt om pathologieverslagen te verzamelen en de vragenlijst is verstuurd om gedetailleerde informatie met betrekking tot risicofactoren voor huidkanker te verkrijgen. Er is een onderverdeling gemaakt in twee groepen. De eerste groep bestaat uit benigne talgkliertumoren, keratoacanthomen en morbus Bowen. De tweede groep omvat melanomen, basaalcel-, plaveiselcel- en talgkliercarcinomen. Cumulatieve risico’s zijn berekend met de kaplan-meiermethode. Het cumulatieve risico op melanoom is vergeleken met het risico in de algemene Nederlandse populatie, gebaseerd op beschikbare data van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). [7] Het resultaat voor basaalcelcarcinoom is vergeleken met cijfers afkomstig uit het Eindhovens Kanker Register, het enige landelijke register dat het eerst voorkomende, histologisch bewezen basaalcelcarcinoom registreert. [8] Het IKNL beschikt enkel over het gecombineerde risico op plaveiselcel- en talgkliercarcinoom, daarom hebben we deze twee maligne huidtumoren samengevoegd. [7] Gezien het feit dat de definitie van het muir-torresyndroom niet eenduidig is in de literatuur [2,3], presenteren we patiënten die voldoen aan ofwel de klinische ofwel de biomoleculaire definitie van het muir-torresyndroom (tabel 1).
Resultaat
In totaal zijn 331 patiënten (41,1% man) afkomstig uit 194 families geïncludeerd. Hiervan hebben 309 patiënten een vragenlijst ontvangen en deze zijn geretourneerd door 196 patiënten (respons 59,2%). In de medische status, in combinatie met PALGA, hebben we een totaal van 53 benigne en premaligne huidtumoren bij 18/331 patiënten gevonden. 57 maligne tumoren zijn gevonden bij 27 (8,2%) patiënten, gediagnosticeerd op een mediane leeftijd van 53 (25-81) jaar (tabel 1).
Het cumulatieve risico op een maligne huidtumor op de leeftijd van 40, 60 en 70 is respectievelijk 1,3% (standaarddeviatie [SD] 0,7%), 11,2% (SD 2,5%), 21,1% (SD 4,5%), met een lifetimerisico van 40,8% (SD 17,4%). Het cumulatieve risico op melanoom en basaalcelcarcinoom is slechts licht verhoogd in vergelijking met de algemene Nederlandse populatie. Echter, het cumulatieve risico op plaveiselcel- en talgkliercarcinoom is verhoogd in patiënten met het lynchsyndroom, namelijk 7,8% (SD 2,6%) op de leeftijd van 70, vergeleken met 1,29% (95%-CI 1,24-1,33) op de leeftijd van 70 in de algemene Nederlandse populatie. In de univariate analyse is gebleken dat geen van de bekende risicofactoren voor huidkanker geassocieerd is met het risico op het krijgen van een maligne huidtumor. Alleen de mutatiestatus is geassocieerd (p = 0,002, hazardratio 4,21 voor MLH1/MSH2-mutaties; 95%-CI 1,68-10,52, versus MSH6/PMS2-mutaties). Op basis van de biomoleculaire definitie is het muir-torresyndroom in 5,4% van de 331 patiënten en in 10,8% van de families geconstateerd, wat lager is dan de incidentie die gevonden is in eerdere studies.
Conclusie
We concluderen dat maligne huidtumoren zijn gevonden bij 8,2% van de patiënten met het lynchsyndroom. Het cumulatieve risico op het ontwikkelen van een maligne huidtumor is 21,1% (SD 4,5%) op de leeftijd van 70 jaar. Een belangrijke uitkomst van onze studie is het twaalf keer verhoogde risico op plaveiselcel- en talgkliercarcinoom op de leeftijd van 60 jaar. Op basis van deze resultaten wordt een eenmalig, vroeg dermatologisch consult aangeraden, om bewustwording voor huidkanker te creëren en om informatie te geven over risicofactoren voor huidkanker. De talgkliertumoren die geassocieerd zijn met het muir-torresyndroom verdienen in dit consult speciale aandacht. Het dermatologisch consult dient bij voorkeur plaats te vinden op het moment dat mutatieanalyse de diagnose lynchsyndroom heeft bevestigd, zelfs als er zich op dat moment nog geen huidafwijkingen gemanifesteerd hebben. Daarbij wordt dermatologische screening aangeraden zodra er een maligne huidtumor is gediagnosticeerd. Follow-up dient dan plaats te vinden volgens de richtlijn van de betreffende huidtumor.
Literatuur
1. Lynch HT, Snyder CL, Shaw TG, Heinen CD, Hitchins MP. Milestones of Lynch syndrome: 1895-2015. Nat Rev Cancer 2015;15(3):181-94.
2. South CD, Hampel H, Comeras I, Westman JA, Frankel WL, de la Chapelle A. The frequency of Muir-Torre syndrome among Lynch syndrome families. J Natl Cancer Inst. 2008;100(4):277-81.
3. Ponti G, Losi L, Pedroni M, et al. Value of MLH1 and MSH2 mutations in the appearance of Muir-Torre syndrome phenotype in HNPCC patients presenting sebaceous gland tumors or keratoacanthomas. J Invest Dermatol 2006;126(10):2302-7.
De complete literatuurlijst is, vanaf drie weken na publicatie in dit tijdschrift, te vinden op www.nvdv.nl.
Correspondentieadres
Marianne Crijns
E-mail: mb.crijns@nki.nl