Schubbenhuid en vochtverlangen

Terug

8 min. leestijd

Delen via:

F. Meulenberg

Jaargang 2018

, volume 4

Artikel in PDF

“Hij liet het pantser van zijn rug wat over zijn lijf schuiven en luisterde naar het geluid. Het leek wel of de platen iets dreigends hadden en of er een schurend geluid viel waar te nemen. Dat moest niet. Alles moest verzadigd zijn van vocht. En Stroenil was de enige niet, die met zijn rugpantser schoof. Anderen deden het ook, het kraste ervan op de zandbanken.” [1]

Een mens is op zijn ontvankelijkst in de adolescentie, voor de charmes en valkuilen van de eerste liefde [2] alsook voor literatuur. Mijn eerste kennismaking met de dierenverhalen van
Anton Koolhaas (1912-1992) was het verhaal Mijnheer Tip is de dikste mijnheer. Meneer Tip is een varken dat zijn uiterste best doet zo dik mogelijk te worden, als onderdeel van een speelse, onderlinge competitie tussen de varkens, in hun varkenshokken. Ze zijn benieuwd naar de buitenwereld – het licht achter de deur van de stal: “Het was altijd een zenuwachtig moment als de dikste, en een enkele keer een paar van de diksten tegelijkertijd, het hok uit gemanoeuvreerd werden. Men keek ze over het voorste schot van het hok hangend na, hoe ze langzaam langs de andere schotten van de stal liepen en dan door de deur van de stal in het licht verdwenen. Ze gingen dus zeker naar buiten, waar mogelijk iets was voor als je niet meer mee wou spelen.” [3] Vlak voordat hij in volle vaart naar buiten snelt, de loopplank op naar de vrachtwagen voor de deur van de stal, beseft meneer Tip ten diepste de nakende dood en wil hij “zich verzetten, schreeuwen, (…) blijven, donderjagen, bijten, gillen, de zaak naar de verdommenis helpen, vloeken, schijten, rondrollen.” Op de vrachtwagen staat “n.v. Exportslachterij, voorheen gebr. Taat.”

Stroenil

Bij herlezing – zelfs na 40 jaar – landt de tragische geschiedenis van het varken meneer Tip nog steeds met een zacht plofje in het sensibele leeshart. Mijn warme sympathie voor de krokodil Stroenil dateert daarentegen van later. Stroenil waggelt, zwemt en vecht in de rivier, ondertussen jagend op prooi. Vooral op kippen, bij voorkeur heel veel kippen. Hij geniet van de “weldaad van het water dat over zijn harde rugpantser wobbelde en langs zijn staart slierde, de verte in.” Het is regentijd maar die duurde dit jaar te kort en de zon doet zijn meedogenloze werk. Zelfs als hij gaat rusten, doezelt hij niet echt weg, “doch lette [hij] nauwkeurig op het water en langs welke nerf in zijn huid het zoog. Weldaad van het water, waar hij altijd op kon rekenen. (…) Stromend en het bestaan vervullend water, veilig murmelend water, schuilplaats, bron, zekerheid en medeplichtige; water met diepe, donkere modder.” Dan overvalt hem een angst: wat ging het water doen? Het antwoord volgt snel: “De rivier viel. De rivier viel snel.” Een extreme droogte valt in en Stroenil vraagt zich af: “Is dit de wraak van de wereld die geen leven duldt en die de zoeker naar water doet belanden in vuur?” Zijn angst neemt toe, beklemmend en taai: “Dit is het uur van lood. Lood smelt, maar niet tot water. Voor het eerst wist Stroenil dat er een toestand bestond, die voorgoed is.” De aarde scheurt (“de barsten in de grond reikten tot zijn rug”) en zelfs diep ingegraven in waar voorheen modder was, vindt hij geen water. De grote slaap zou komen, maar Stroenils verlangen naar regen wil niet doven. Dan beseft hij te moeten vertrekken. Hij is niet de enige want “links en rechts van Stroenil en achter hem en voor hem kropen andere krokodillen. Geen hersenschimmen, maar levende. Op hetzelfde uur tevoorschijn gekomen uit de verpulverde grond, op hetzelfde moment op weg gegaan en op dezelfde manier kijkend met de blikken van wie de angst heeft zien sterven. Van wie de dood van de angst nieuwe verschieten van genot opent.” Allen zijn “gewekt uit de beklemming van modder, waarin de bevrijding van water niet meer te beluisteren viel.” Het slot: “Een onafwendbare stofwolk dekt de ruggen van
de knarsende en scharnierende stoet. Boven het stof is de eeuwigheid van de sterren.”

Levensvervulling

Wat is het geheim van Koolhaas’ verhalen? Bioloog-schrijver Midas Dekkers is een liefhebber en geeft een verklaring, oog in oog staande met een koe: “Wat denkt die koe? Wat gaat er in die kop om? Hoe is het om een koe te zijn? Weet een koe dat hij een koe is? Is hij zich bewust van zijn staart? Gelooft een koe in god? Wat ziet een koe in mij?”[5] De wetenschap heeft geen antwoord op die vragen, Koolhaas wel. Het wereldbeeld van die dieren is ook anders dan ons wereldbeeld: “Zij komen niet in opstand en zij berusten niet, zij beschouwen hun lot als een levensvervulling.” Anders gezegd, het leven is geen middel maar doel in zichzelf. Daarbij is niets dodelijker dan levenslust. Dichter-essayist-schrijver Willem Jan Otten, eveneens een verklaard fan van Koolhaas, valt Dekkers bij: “Er is niets om voor te leven, geen postume troost. Geen vooruitgang, geen wenkend perspectief. Alleen een kortstondig heden.” [6] Het bewustzijn van de dieren vloeit voort uit het “eindigheidsbesef.”

Otten wijst op de theatrale stem die Koolhaas aan de dieren geeft: “Het is juist dankzij die vertogende en een beetje deftige uitweidingen, dat we in de dieren en de weergave van hun
gedachten Koolhaas kunnen horen klinken.” Elders zegt Otten het aldus: “Moeitelozer verbonden met het raadselachtige, het dierlijke, het instinctieve zijn niet veel schrijvers geweest.” [7] En dat nauwelijks grijpbare instinctieve weet Koolhaas uiterst sensibel te verwoorden. Voor wie zich verder wil verdiepen in de dierenverhalen van Koolhaas kan terecht, behalve bij de verhalen zelf, bij de vuistdikke studie van dichter annex hoogleraar literatuurwetenschap Wiel Kusters, hoewel in dat boek Stroenil helaas niet aan bod komt. [8]

Metaforisch lezen

Het is niet moeilijk om het verhaal van Stroenil metaforisch te lezen als een parabel over mensen met een huidziekte. Immers mensen met psoriasis of ichthyosis dragen ook schubben met zich mee. Vanzelfsprekend zijn er verschillen: een huidpatiënt zal, in de regel, niet snel handelen als een roofdier. En het dierlijke pantser vormt een heuse bescherming, waar het
huidziektepantser dat hooguit in overdrachtelijke zin is. Wat Stroenil deelt met huidpatiënten is dat dit pantser hun zwakke plek is (om uiteenlopende redenen). Zoals Stroenil verlangt
naar het verlichting gevende water, moet de mens met een huidziekte ervoor waken dat de huid niet uitdroogt. Het verlangen naar water van de krokodil is dan de evenknie van de
oplettendheid van een huidpatiënt om met een indifferente zalf het verdampen van vocht uit de huid tegen te gaan om zodoende vocht vast te houden. “Alles moet verzadigd zijn van
vocht,” zoals Koolhaas schrijft. Er zijn meer overeenkomsten. Stroenil accepteert zijn lot als zijnde zijn levensvervulling. Mij dunkt dat dit een vorm van acceptatie is (en dat is iets anders dan berusting), waar huidpatiënten nog iets van kunnen leren.

En met licht frivole fantasie roept de slotzin van het verhaal (de stout knarsende en scharnierende krokodillen) de associatie op met mensen met psoriasis arthropathica.

Schubben vallen

Dat de huid soms verwoestend kan uithalen, weten we sinds Lucebert:

en de aarde een verwoesting slaat uit de huid haren vallen schubben vallen en veren [9]

Naast een groot waterverlangen koestert Stroenil weinig dromen, behalve van een grote hoeveelheid kippen. Het is de Nederlandse dichter Eva Gerlach die de ultieme, zoetste en zo
onbereikbare droom van een schubbenhuidpatiënt verwoordt:

ik wist

niet dat het kon, de schubben vallen,
het rood dooft en de jeuk gaat liggen. [10]

Een groot verschil tussen Stroenil en een huidpatiënt blijft het toekomstperspectief. Waar Stroenil onbevreesd waggelt richting de wisse dood, levend van dag tot dag, in een zich
herhalend kortstondig heden – is de toekomst van een huidpatiënt langgerekter, milder, bewuster met langduriger perspectief, en minder existentieel-bedreigend, alhoewel ook
diens leven onvermijdelijk eindigt in de dood. Zie hoe mild Vladimir Nabokov (1899-1977, een man die zelf psoriasis had) psoriasispatiënten typeert in de roman Ada: het zijn “ongevaarlijke psoriatici, helrood uitgeslagen, zilver-geschubde, geel-gekorste stakkers” en “zachtmoedige martelaars”. Ook de zin: “Hij bleef staan in de kille zon tot hij zijn huid onder zijn jas voelde veranderen in de onderbuikschubben van een gordeldier”, is een fijnzinnige verwijzing naar psoriasis. [11]

Soort versus individu

“Proestend lazen Koolhaasliefhebbers elkaar in het diers voor.” Deze woorden van opnieuw Midas Dekkers klinken prachtig en krachtig, dat zeker, maar zijn ook onversneden retorica.
In totaal introduceerde Koolhaas 56 verschillende diersoorten, en binnen die soorten maar liefst 365 individuen. Volgens Dekkers gaan de verhalen vooral over de spanning tussen die
individuen en de soort waartoe zij behoren. “Hoe een dier als een wanhopige gevangene binnen de grenzen van zijn soort op en neer springt en aan de tralies rukt.” [5] Het is een waardevolle observatie. Dé krokodil, hét varken, dé snoek en dé spin bestaan evenmin als dé mens. Evenmin als dé huidpatiënt. Overtuigt Koolhaas’ oeuvre alleen in het Nederlands, en is zijn werk daarmee heel Hollands of lage-landerig? Geen idee, feit is wel dat de recensent van het Times Literary Supplement grote moeite had met het verhaal over meneer Tip: “We spend most of Mr Tip is the fattest pig by Anton Koolhaas (father of Rem) trying to work out wether we’re reading George Orwell, Samuel Beckett, or a jolly children’s story.” [12] Het ontbreken van kennis van de context van Koolhaas’ verhalen is vermoedelijk een belemmering (de dundrukeditie van de verzamelde dierenverhalen beslaat in het Nederlands bijna duizend pagina’s), en dat ene verhaal van Koolhaas, opgenomen in een bloemlezing met Nederlandse literaire verhalen uit een hele eeuw, oogt dan vrij rap een vreemde eend in de bijt (overigens schreef Koolhaas prachtig over eenden).

Dé krokodil, hét varken, dé snoek en dé spin bestaan evenmin als dé mens. Evenmin als dé huidpatiënt.

Koolhaas las ik voor het eerst in mijn prepuberteit, enkele jaren later zou ik hem regelmatig doch vluchtig ontmoeten. Als student Nederlands woonde ik namelijk in een souterrain
in de Vondelstraat in Amsterdam. Koolhaas was mijn overbuurman. Onze conversaties bleven echter idiomatisch beperkt. Op het ‘goedemorgen’ van de een volgde het ‘goedemorgen’
van de ander, zoals ook dieren die niets van elkaar te duchten hebben, elkaar begroeten.

Literatuur

1. Koolhaas A. Zonder schrik. In: Alle dierenverhalen. Amsterdam: Van Oorschot, 1999:454-75.
2. Meulenberg F. Symptomen van de eerste liefde – Een verkenning in filosofie, literatuur en vleugjes werkelijkheid. Belvédère, Overveen, 2008.
3. Koolhaas A. Mijnheer Tip is de dikste mijnheer. In: Alle dierenverhalen. Amsterdam: Van Oorschot, 1999:113-26.
4. Dickinson E. After great pain, a formal feeling comes. In: The Complete Poems [Thomas H. Johnson, ed]. London: Faber&Faber, 1991:162.
5. Dekkers M. Midas Dekkers leest A. Koolhaas. Amsterdam: Maarten Muntinga, 2006:7-18.
6. Otten WJ. Een meester van de belichaming – Over Anton Koolhaas. In: De letterpiloot. Van Oorschot, Amsterdam, 1994:87-93.
7. Otten WJ. Bij de dood van Anton Koolhaas. In: De letterpiloot. Amsterdam: Van Oorschot, Amsterdam 1994:94-7.
8. Kusters W. Koolhaas’ dieren – Over de biologie van een schrijver. Nijmegen: Van Tilt, 2008.
9. Lucebert. Hymne. In: Van de afgrond en de luchtmens. De Bezige Bij, Amsterdam:, 1953.
10. Gerlach E. Lichter. In: Huid&haar, 2013;4:41.
11. Nabokov V. Ada. Bezige Bij, Amsterdam 1991:142,297,406. [vertaling René Kurpershoek].
12. Lowdon C. From the real to somewhere else – Humour and menace in a century of Dutch stories. Times Literary Supplement; 2-12-2016:22-3.

Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl