F. Meulenberg
Jaargang 2018
, volume 2
In de negentiende eeuw sneed ene W.B. zijn penis af uit schuldgevoel over het eigen masturbeergedrag. Terwijl in datzelfde tijdperk Frederick B. werd opgenomen in een gesticht omdat hij “zelfmoord wilde plegen via masturbatie.” Opmerkelijk, ik ontleen beide casus aan een boek van de Engelse historica Sarah Chaney over automutilatie, waarin zij ook veel aandacht besteedt aan de duiding van dit fenomeen die decennialang leunde op de term ‘hysterie’, een begrip dat zo elastisch is dat het een verklaring kan geven voor elk afwijkend menselijk gedrag. [1]
Nederlandse dermatologen hebben de cultuurhistorie van automutilatie lezenswaardig beschreven: “Automutilatie, een pathologische vorm van zelfbeschadiging, is een verschijnsel dat bij uiteenlopende geestesziekten kan voorkomen: een demon met meerdere vaders en verschillende gezichten. In de meeste gevallen loopt het met de huid slecht af.” [2] Dat beeld doemt ook op in de schone letteren. Bijvoorbeeld in de roman Het lichaam van Clara van Jan Siebelink. Clara Hofstede is de hoofdpersoon die, opgegroeid binnen een ongelukkig huwelijk, zich ontpopt als dwangneuroot, fanatiek bidder, groot liefhebber van seks én zichzelf verwondt. Het begint met bijten:
Ze beet door. Een paar kleine druppeltjes bloed verschenen. Ze voelde geen pijn. De arm leek verdoofd. De tranen in haar ogen kwamen van de wind, die scherp duinzand meevoerde. Ze beet opnieuw. Geen pijn. Ze leek de pijn te beheersen. De pijn loste op in de pijn. Ze likte de druppels bloed op. Ze raakte in trance als vroeger bij het dwangmatige bidden. Clara beet opnieuw, hield zich niet in, kon niet meer ophouden. Het bijten gaf ontspanning, verlichtte. De huid van haar onderarm werd een beetje blauw. (…) Ze ervoer werkelijk iets als een bevrijding. Maar de wolken boven de zee waren gezwollen als gemene, overrijpe abcessen. [3]
Het duurt niet lang voordat ze naar een kartelmes grijpt: “De huid spleet van de pols tot aan de elleboog, in een razendsnelle, feilloze beweging.” Siebelink duidt dit gedrag als een innerlijk conflict van Clara die op zoek is naar zichzelf, en een “innerlijk verstoppertje” speelt.
Aan gort
De meest extreme en bizarre vorm van zelfbeschadiging is die waarbij men het eigen lichaam opeet. De grote Belcampo (pseudoniem van H.P. Schönfeld Wichers, studentenarts in Groningen), een auteur voor wie vergetelheid dreigt, schreef ooit een verhaal waarin een man zijn eigen ledematen verorbert. [4] Vermoedelijk ontleende Belcampo het thema van zijn verhaal aan een publicatie in het NTvG. [5] Belcampo’s verhaal is bizar, waar Siebelink een te hoffelijk mens en te fijnzinnig stilist is om de pijn voelbaar te maken. Hoe anders klinkt Hanya Yanagihara in haar roman Een klein leven. [6] De roman draait om vier vrienden in New York die lief en leed met elkaar delen. Centraal staat de figuur Jude St. Francis: een timide zorgenkindje met tal van mysterieuze aandoeningen, alsook een juridisch wonderkind. Aanvankelijk weigert Jude zijn vrienden te vertellen waardoor hij mank loopt, soms aan zijn bed gekluisterd is, en rondloopt met merkwaardige wonden. Veel wordt duidelijker – voor de lezer, niet voor zijn vrienden – als Jude zijn armen moet laten controleren door dokter Andy, omdat laatstgenoemde weet dat Jude zijn eigen huid openkerft: “Je hebt je armen echt totaal aan gort gesneden, dat weet je toch, hè?” Later ontstaan problemen als er een open been optreedt:
De eerste keer dat hij zo’n wond had gekregen was minder dan een jaar na de aanrijding geweest, en die was snel geheeld. ‘Maar dit zal niet de laatste zijn’, had de chirurg in Philadelphia gezegd. ‘Bij letsel zoals dat van jou is alles – het vaatstelsel, het huidstelsel – zo beschadigd dat je dit soort wonden waarschijnlijk zo nu en dan zult blijven krijgen’
Verticale lijnen
De pijnstoten die zich aandienen werken als adrenaline op Jude:
(…) en die avond sneed hij zichzelf voor de tweede keer sinds hij was thuisgekomen uit het ziekenhuis. (…) Zijn behoefte zich te snijden, die felle, acute pijnstoot te voelen. De eerste keer dat hij het deed was hij geschokt door de enorme pijn, en had hij zich zelfs afgevraagd waarom hij zichzelf dit al zo lang had aangedaan. (…) De littekens van zijn poging waren drie verticale lijnen op beide armen, van zijn handpalm tot vlak onder de binnenkant van zijn elleboog, en ze waren niet goed geheeld; het zag eruit alsof hij potloden vlak onder de huid had geschoven. Ze hadden een vreemde, parelachtige glans, bijna alsof de huid was verbrand.
Het automutileren is onlosmakelijk verbonden met de identiteit van Jude: “Wie zou hij zijn geweest, wie zou hij zijn, zonder de littekens, de snijwonden, de pijnen, de zweren, de botbreuken, de infecties, de spalken en de uitscheidingen?” Zoals veel psychiatrische stoornissen ligt de oorsprong in zijn jeugd die de lezer leert kennen uit flashbacks. Hij werd als kind te vondeling gelegd en groeide op in een klooster. Daar start de fysieke en geestelijke afbraak van Jude: de broeders nemen hem mee, mishandelen en gebruiken het kind. De jongen voelt
zich bezoedeld:
Hij voelde zich zo vies, zo besmeurd, alsof hij van binnen een verrot gebouw was, zoals de verlaten kerk waar hij mee naar toe was genomen: de balken bespikkeld met schimmel, de dakspanten versplinterd en vol gaten van de termietennesten. (…) Nu al voelde hij de schraperige sensatie in zijn keel van het geschreeuw dat hij zou laten horen, het schroeien van de riem die tegen zijn rug zwiepte.
Als Jude 9 jaar is, gaat broeder Luke, die zich als een weldoener presenteert, er met hem vandoor: hij spiegelt de jongen voor hoe ze samen als vader en zoon in een huisje in de bossen gaan wonen. Jude’s geestelijke en lichamelijke ondermijning krijgt verdere verdieping. Als uitweg uit de nood leert broeder Luke hem “iets geheims” waardoor hij “het gif, het vuil, de woede kan laten wegvloeien”: zichzelf snijden met keurig door de broeder aangeleverde scheermesjes.
Pijn als genot
Op een dag verstopt de jonge Jude zich. In een ongemakkelijke houding zittend, ervaart hij speldenprikken op zijn lijf die niet langer voelden als “een straf maar als een beloning, als een minivuurwerk dat in hem en voor hem wordt afgestoken, alsof zijn lichaam hem eraan wilde herinneren wie hij was en wat hij nog steeds bezat: zichzelf.” Als men hem vindt, met speurhond, wordt hij naar buiten gesleept, en krijgt hij een klap in zijn gezicht. “Het bloed uit zijn neus was dik, warm en geruststellend, de smaak ervan op zijn lippen vreemd voedzaam, als soep, alsof zijn lichaam op wonderlijke wijze zelfgenezend was, vastbesloten om zichzelf te redden.” Wat drijft een mens het eigen lichaam tot carpaccio te versnijden? Het boek geeft daarop geen antwoord, het blijft dus giswerk. Al lijkt duidelijk dat zelfverwonding een strategie is om ondraaglijke emoties draaglijk te maken. In die zin is zelfverwonding een manier om deze emoties te reguleren. Seksueel misbruik is een bekende, uitlokkende factor, alsook psychiatrische aandoeningen, gevoelens van eenzaamheid, eentonigheid of verveling. Persoonlijk denk ik dat de pijn door zelfbeschadiging een ‘veilig gevoel’ oplevert. Bovendien bepaalt Jude zelf de aard en de intensiteit van de opkomende pijn, en heel banaal gedacht: de pijn die hij zichzelf bezorgt, kunnen anderen hem niet aandoen. Wellicht schenkt dat hem de illusie dat zijn lichaam op “wonderlijke wijze zelfgenezend” is.
Axioma
Yanagihara is geen ragfijn verteller, zoals Siebelink. Ze vergroot alles uit, de personages zijn, in weerwil van de romantitel, larger than life, de gebaren zijn theatraal. Ze beukt op de lezer in, met afgrijselijke scènes van het misbruik van Jude en diens automutilerende gedrag. Het boek is tegelijk gruwelijk én aangrijpend, in zijn excessen, extremen en extravagantie. Hoopvol? Nee, een catharsis ontbreekt. En de lezer? De auteur wilde dat de lezer zich zou “voelen als een kreeft in een pan. Het wordt heter en heter en hij kan er niet uit.” [7] Als dat haar doel inderdaad was, slaagt ze met glans. Herinneringen aan trauma’s zijn nimmer tandeloos. Jude is als kind dermate beschadigd dat alle liefde en goedheid die hij later in zijn leven ervaart van hem afglijdt, en dat hij zichzelf straft en tot gangbaar intermenselijk contact niet langer in staat is. Zijn lot is nagenoeg ondraaglijk. De zelfkastijding leidt tot een axioma, een niet-bewijsbare stelling, die Jude echter aannemelijk maakt, in één van de kernzinnen van de roman: “Wie ik was zal altijd blijven wie ik ben”.
Literatuur
1. Chaney S. Psyche of the skin – A history of self-harm. London: Reaktion Books, 2016.
2. Van Joost Th, Van Everdingen JJE, Trijsburg W. Demon en derma. In: Van Joost Th, Van Everdingen JJE (red). Omtrent de huid. Amsterdam/Overveen: Boom/Belvedere, 1996:253-65.
3. Siebelink. Het lichaam van Clara. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010:131-202.
4. Belcampo. Bladzijde uit het dagboek van een arts. In: Luchtspiegelingen. Amsterdam/Antwerpen: Kosmos, z.j.: 255-7.
5. Bak I. Een merkwaardige ziekte. Iemand die zijn vingers opeet. Ned Tijdschr Geneeskd 1922;21:70-3.
6. Yanagihara, H. Een klein leven. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2016 [vertaling: Josephine Ruitenberg en Kitty Pouwels].
7. Roodnat J. Nee, we zijn niet te redden. NRC Handelsblad 7-10-2016.
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl