Brandwonden als schoonheidsideaal

Terug

7 min. leestijd

Delen via:

F. Meulenberg

Jaargang 2018

, volume 6

Artikel in PDF

“Een man zonder gezicht. Een diepbruine poel. Alle identificatie verteerd in een vuur. Delen van zijn verbrande lichaam en gezicht waren besproeid met looizuur dat hard werd en een beschermende schil over zijn rauwe huid vormde. De huid rond zijn ogen was bedekt met een dikke laag gentiaanviolet. Er was niets herkenbaars aan hem.”[1]

In de roman De Engelse patiënt van de Canadees Michael Onda atje verzorgt de 20-jarige verpleegster Hana deze patiënt, een neergestorte en lange tijd naamloze piloot met ernstige brandwonden (de roman is trouwens gelaagder en geslaagder dan de nogal gelikte verfilming; het is een mozaïekachtige roman vol flashbacks en flashforwards). Zij verpleegt hem maandenlang en soms leest ze hem voor uit het boek dat hij bij zich droeg en dat klaarblijkelijk niet in vlammen opging: Herodotus’ Historiën. Ze leert zijn lichaam goed kennen: de penis als “een slapend zeepaardje”, de smalle magere heupen. Heupen van Christus, denkt ze. “Hij is haar heilige der wanhoop.” Al eerder in het boek had de patiënt iets van een uitverkorene: de Bedoeïenen die de gewonde piloot vonden, goten olie over grote lappen zachte stof en legden die op hem. “Hij was gezalfd”, schrijft Ondaatje. Terwijl Hana als een zwerver leeft, rust de patiënt op zijn sponde. “Alle zenuwen weg. Je kunt er een lucifer tegen houden en er komt geen enkele uitdrukking op zijn gezicht. Het slaapt.” Hij is alleen in zijn geblakerde vel, dat minimaal derdegraads verbrand is. Hana lijkt nauwelijks contact te krijgen met haar patiënt. Toch sluimert onderhuids een opflakkerende bekoring voor hem. Daarnaast spelen de flarden herinneringen van de patiënt – die uiteindelijk een geboren Hongaar blijkt te zijn, Almásy – gaandeweg de roman steeds nadrukkelijker een rol.

Het decor is een afgelegen en zwaar gehavende villa in Toscane, in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Het is een troosteloze en traumatische wereld waarbij de kogelgaten getuigen van het feit dat in tijden van oorlog uiteindelijk niemand ongeschonden blijft. Zo bedekt de toewijding van Hana evenzeer een trauma. Haar verloofde stierf op het slagveld en zodoende ontbeert zij, voor haar gevoel, een toekomstperspectief. En de patiënt hallucineert over een buitenechtelijke liefde (“Hij herinnert zich de picknicks, een vrouw die delen van zijn lichaam kuste die nu auberginekleurig verbrand zijn”) die tragisch eindigt. Het is zijn grote liefde Katherine die hij niet kon redden van de dood. In flarden vertelt Almásy zijn levensverhaal. Hij gelooft dat naties gevaarlijke uitvindingen zijn en dat alleen de liefde grenzen en tijden vermag te overschrijden. Verteerd door liefde, verbrand door vuur, krijgt hij steeds hogere doses morfine. Men verdenkt hem – ten onrechte – ervan een Duitse spion te zijn. Dan sterft de Engelse patiënt.

De Engelse dichter Sylvia Plath schreef ooit: “Huid heeft geen wortels, hij laat net zo gemakkelijk los als papier.” [2] In De Engelse patiënt zijn de hoofdpersonen op eenzelfde wijze ontworteld – door hun verleden – en vrijwel zeker zonder toekomst. Als een tabula rasa. Nagenoeg identiteitsloos. Brandwonden en erotiek vormen een ongemakkelijk pas de deux in De Engelse patiënt. Uitzonderlijk is die combinatie echter niet. Even invoelbaar is de pijn die de Zuid-Afrikaanse Riana Scheepers beschrijft in het korte verhaal Elixer. [3] Een vrouw krijgt kokend water over zich heen. Haar borsten zijn verschroeid rond treurig verschrompelde tepels. Ze dwingt haar vriend tot seks. Hij haalt acrobatische toeren uit om haar geen pijn te doen en loost zijn zaad uiteindelijk over haar brandwonden. Als ze ’s ochtends ontwaakt, voelt haar huid nog steeds strak aan, maar zijn de dikke rode zwellingen geslonken.

Verlies van menselijkheid

Het hoogtepunt in de brandwondenbellettrie is de eerste verhalenbundel van de Argentijnse Mariana Enriquez die in 2017 in Nederlandse vertaling verscheen, getiteld Dingen die we verloren in het vuur. Het zijn zonder uitzondering indringende, raadselachtige verhalen met horrorachtige trekjes. Overduidelijk Latijns-Amerikaans (en dat is een compliment) en zij benadert soms het niveau van de grootmeester van het korte verhaal, haar landgenoot Julio Cortázar. De verhalen spelen zich af in een wereld waaruit de beschaving zich heeft teruggetrokken, in de buitenwijken en sloppenbuurten van Buenos Aires, en een enkele keer op de pampa’s. Leven betekent hier overleven. Hoger opdracht is er niet. Het titelverhaal sluit de bundel af en is de kroon op de verhalenbundel. Er is een naamloos meisje in de metro dat zichzelf voorstelt aan de andere reizigers. Zij is verminkt:

“Haar gezicht en armen waren compleet verminkt door diepe, uitgestrekte, allesoverdekkende brandwonden. Ze legde uit hoeveel tijd de revalidatie had gekost, de maanden van infecties, het ziekenhuis en de pijn, met haar mond zonder lippen en een erbarmelijk gereconstrueerde neus. Ze had nog één oog, het andere was een gat van huid, en haar hele gezicht, het hoofd, de hals was een bruin, met spinnenwebben doortrokken masker.”

Enriquez weet treffend de paradoxale uitstraling van het meisje te verwoorden: “Dat haar lichaam zo sexy was, was op een onverklaarbare manier aanstootgevend.” Degene die haar in brand stak, was haar echtgenoot die ze wilde verlaten. Al laat die man omstanders in eerste instantie geloven dat de vrouw zichzelf in brand stak. Als ze in de metro bedelt, krijgen veel mensen “kippenvel door de walging die de huid van haar armen opriep.” Dit naamloze meisje zou de eerste zijn, schrijft Enriquez onheilspellend. Beslissend was echter Lucila, een bloedmooi fotomodel, bekend van de televisie en verloofd met een vermaarde lokale voetbalheld. Zij wordt haar appartement uitgedragen nadat zeventig procent van haar lijf is verbrand; ze overleeft het niet. Ook haar verloofde verklaart dat ze het zelf deed. Daarmee gaat een reeks zelfverbrandingen door vrouwen van start. Bijna elke week is er een nieuw geval. “Besmetting, legden de deskundigen op het gebied van gendergeweld uit in kranten en tijdschriften en op radio’s en televisies.” De media hebben plotseling belangstelling voor het mismaakte metromeisje. Haar verklaring tegenover de media is indrukwekkend (en hier toont Enriquez haar grote kracht als schrijver):

“Als ze zo doorgaan, zullen de mannen er maar aan moeten wennen. Dan zullen de meeste vrouwen eruitzien zoals ik, als ze het al overleven. Dat zou wat zijn, nietwaar? Een nieuw schoonheidsideaal.”

Uiteraard spreken vrouwen met elkaar over de verbrandingen.

“Dat aansteken, dat doen de mannen, liefje. Ze hebben ons altijd al in brand gestoken. Nu steken we onszelf in brand. Maar dood gaan we niet: we gaan onze littekens laten zien.”

Brandwonden en littekens als veilige woning dus. Een groep vrouwen bouwt een brandstapel. Eén van hen filmt alles. Dan duikt een vrouw het vuur in “alsof ze een duik in een zwembad nam”. Ze brandt twintig seconden voordat andere vrouwen haar van de brandstapel halen en naar een clandestiene kliniek brengen. Het filmpje verschijnt op internet. Een positief neveneffect is dat de vrouwenhandel stopt, want “niemand wil een verbrand monster en ook willen ze die gestoorde Argentijnse wijven niet, die zich op een dag in de fik zullen steken – met de klant er misschien wel bij.” Behoedzaam sluipt Enriquez richting de kern van haar verhaal, de heksenjacht. Een docente verklaart: “Ik vertel ze dat wij altijd al zijn verbrand, dat ze ons vier eeuwen lang hebben verbrand! Ze kunnen het niet geloven, ze weten niets van de heksenprocessen.”

Grandeur

Zo ontwikkelt zich het persoonlijke drama van het meisje in de metro tot een maatschappelijke aanklacht tegen mannen (aan verbrande vrouwen zonder enige uiterlijke schoonheid valt weinig te misbruiken, in hun machismo-optiek) en een aanklacht tegen een eeuwenlange heksenjacht. Dan is meteen duidelijk wat er verloren ging in het vuur: menselijkheid. Huiveringwekkend.

De hel, als koninkrijk van de pijn, als poel des vuurs, moet wel een uitvergroting zijn van de brandwond.

Het knappe van de verhalen is, dat Enriquez de lezer aan de ene kant meevoert in werelden van verbeelding en hallucinaties, maar zij die niettemin als volkomen echt blijft accepteren. Daarnaast weigert ze van haar personages, beschadigd als ze zijn, slachtoffers te maken. Ze behouden grandeur, huns ondanks. Zo onzeker als de betekenis van haar vertellingen soms mag zijn, zo aanhoudend blijven ze rondspoken in de herinnering van de lezer. Geruststellend is de wereld van Enriquez nooit. Want onder de alledaagsheid sluimert de hel, waarin haar personages verhaal na verhaal afdalen. [5] De Nederlandse auteur – en uitmuntend stilist – Nicolaas Matsier beschreef zijn eigen ervaring met een brandwond (van zijn hand) op de afdeling Spoedeisende Hulp. En hij denkt eveneens dat de hel, in essentie, een brandwond is: “De hel, als koninkrijk van de pijn, als poel des vuurs, moet wel een uitvergroting zijn van de brandwond”. [6]

Literatuur

1. Ondaatje M. De Engelse patiënt. Bert Bakker, Amsterdam 1992 [vertaling: Jos den Bekker]
2. Plath S. Facelift. De Tweede Ronde 1988(9);2:162-3 [vertaling B.E. van Hasselt, P.J. Stokhof].
3. Scheepers R. Elixer. In: Onbevlekte ontvangenis. Amsterdam 1995 [vertaling: Riet de Jong-Goossens].
4. Enriquez M. Dingen die we verloren in het vuur. Atlas Contact, Amsterdam 2017 [vertaling: Peter Valkenet].
5. Groot G. Van zo’n wereld moet je wel gek worden. NRC Handelsblad 7-7-2017.
6. Matsier N. Het model van de hel. In: Dicht bij huis. De Bezige Bij, Amsterdam 1996:155-7.

Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl