W.R. Faber
Jaargang 2018
, volume 7
Jan Leonardus Chanfleury van IJsselstein werd 8 april 1819 te Zierikzee geboren. Hij voegde de voornaam ‘Chanfleury’ later bij zijn achternaam. Hij stierf kinderloos en de naam Chanfleury van IJsselstein verdween bij zijn overlijden.
Op 1 oktober 1838 begon hij zijn medische studie in Groningen. Op 21 december 1844 promoveerde hij tot doctor medicinae op het proefschrift De nonnulis morbis qui se excludere feruntur (Over enkele ziekten waarvan men zegt dat zij zich uitsluiten) (figuur 1). Het betreft de immuniteit die door sommige ziekten wordt opgewekt, waardoor andere ziekten worden uitgesloten. In december1845 werd hij bevorderd tot doctor artis obstetricae en doctor chirurgiae, na een examen en de verdediging van chirurgische stellingen.
Opleiding en loopbaan
In 1844 wordt hij in de Statistiek der Geneeskunstoefenaren in de provincie Zuid-Holland vermeld als stadsdoctor of stadschirurgijn van ’s Gravenhage. In zijn Haagse tijd bekleedde hij in verschillende ziekenhuizen de functie van geneesheerdirecteur, als laatste van het in 1865 geopende nieuwe Gemeente Gasthuis aan de Zuidwal.
In deze periode bezocht hij ook de bekende venereoloog Philippe Ricord in Parijs. Hij liet zich aldaar en op de terugweg ook in Brussel over de visitatie der publieke vrouwen voorlichten.In 1857 werd hij door B&W in ‘s Gravenhage benoemd tot ‘Geneeskundig controleur ten gevolge der verordening nopens de publieke vrouwen’. Al een jaar later vroeg hij ontslag aan, daar volgens hem de gewenste resultaten niet behaald werden. Het is aannemelijk dat deze ervaringen zijn standpunt in de latere discussie over de prostitutie hebben bepaald. In een besloten zitting van de gemeenteraad werd hij op 26 september 1867 benoemd tot hoogleraar voor het klinisch onderwijs aan het Atheneum Illustre in Amsterdam met als leerstoel dermatovenereologie. In ’s Gravenhage werd hem “onder dankbetuiging voor de vele en belangrijke diensten, door hem én als geneesheer én als directeur aan de gemeente bewezen op de meest eervolle wijze ontslag verleend als geneesheer-directeur van het gemeente-gasthuis”. Op 18 november 1867 sprak hij zijn oratie uit in het Odeon aan het Singel te Amsterdam, getiteld Over de speciale klinieken (figuur 2).
In het begin had hij te maken met flinke tegenwerking. Het stadsbestuur verschafte hem geen aparte collegezaal. Dat gebeurde pas na een pokkenbesmetting van een student op de ziekenzaal. Er was verzet van met name de chirurgen onder het motto “dit vak behoort tot de chirurgie” en zelfs patiënten werden hem onthouden. Zijn managementcapaciteiten werden kennelijk ook snel in Amsterdam ontdekt. In 1869 werd hij samen met dr. G.D.L. Huet benoemd tot directeur-geneeskundige voor het Binnen- en Buitengasthuis. In januari 1881 werd hij op eigen verzoek aangesteld tot buitengewoon hoogleraar in de huidziekten; dit gaf hem de gelegenheid zich buiten Amsterdam te vestigen. B&W stelden aan de gemeenteraad voor dit toe te staan “behoudens goedkeuring des Konings”, omdat zij er “zeer hoogen prijs op stelden genoemden hoogleeraar, zij het ook onder gewijzigden vorm, voor de Universiteit te behouden. En dat aan hem een assistent zal worden toegevoegd ter behandeling van de dagelijksche ziektegevallen in het Binnen-Gasthuis”.
In dat jaar verhuisde hij naar Baarn, terwijl hij zijn praktijk in Amsterdam voortzette. In 1883 vroeg hij, waarschijnlijk om gezondheidsredenen, eervol ontslag aan. Bij zijn afscheid pleitte hij voor een snelle opvolging, wat niet werd gehonoreerd. Dit leidde tot onvrede bij de studenten die in 1884 een verzoek aan de gemeenteraad richtten, daar zij vreesden hun studie te moeten beëindigen zonder de meest voorkomende huidziekten te hebben waargenomen. Ook in de gemeenteraad werden kritische vragen gesteld omdat het onderwijs over verschillende hoogleraren werd verdeeld en “de geheele vroegere afdeeling van syphilis en huidziekten in het Binnengasthuis bezig was zich op te lossen of ze is reeds opgelost”. Pas in 1885 werd Van Haren Noman als zijn opvolger benoemd.
Gewaardeerd docent
De interessegebieden van Chanfleury lagen bij de urologie, met name urethrastricturen en prostaathypertrofie. Verder syfilis, waarbij aangetekend moet worden dat hij zijn gehele leven de ‘unitaristische’ theorie in de zin van dezelfde verwekker voor de harde en de weke sjanker bleef aanhangen. Wat zijn onderwijs betreft was Chanfleury een begaafd docent en zijn colleges werden zeer gewaardeerd. Bij zijn afscheid in 1883 werd door de medische studenten evenals door het Amsterdamsche studentencorps een verzoek aan hem gericht om terug te komen op zijn besluit “ter wille der wetenschap en ter liefde zijner leerlingen” om “hem als sieraad der Amsterdamsche universiteit te mogen behouden”(figuur 3). Van zijn collegedictaten zijn drie versies bekend waarvan in 1996 één in druk is verschenen onder redactie van J.D. Bos & B. Mesander. Het is een zeer gedetailleerde onderverdeling van de huidziekten overeenkomstig de inzichten van die tijd. Het kan beschouwd worden als de voorloper van de opeenvolgende reeks van Nederlandse dermatologieleerboeken die in de twintigste eeuw werden uitgegeven.
Ziekten der pis- en geslachtswerktuigen
Hij was een van de initiatiefnemers van het Nederlandsch Weekblad voor Geneeskundigen dat in 1851 werd opgericht uit onvrede over het niveau van de toenmalige vaderlandse geneeskundige literatuur. Hierin publiceerde hij twaalf artikelen: het merendeel venereologisch of urologisch van aard en twee over favus waarvan één over epilatie volgens Bazin. Dit tijdschrift ging in 1857 op in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde. Chanfleury werd redacteur van de rubriek Ziekten der pis- en geslachtswerktuigen. In de periode 1861-1889 schreef hij zestien artikelen in dit tijdschrift over syfilis: over de uniteit van het virus syphiliticum, over de diagnose, prognose en therapie van de constitutionele syfilis in de vroege periode.
Prostitutie
In 1889 mengde hij zich in de discussie over de prostitutie met een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde getiteld Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd. Dit werd ook als losse publicatie in het Nederlands en Frans uitgegeven. In dit artikel trok hij van leer tegen visitatie van prostituees. Hij legde uit dat op grond van zijn ervaring tijdens nauwgezet onderzoek bij de visitatie van prostituees 2/3 van hen afgekeurd werd, terwijl het onderzoek bij de resterende 1/3 niet volkomen te vertrouwen was. Visitatie gaf dan ook geen zekerheid over mogelijke besmetting en bovendien was als gevolg van visitatie prostitueebezoek mogelijk toegenomen. Zijn conclusie was dat het een stelsel met veel nadelen en dubieuze voordelen was. Hij adviseerde daarom alle publieke prostitutie te verbieden en alle lijders aan venerische ziekten ruim hulp te geven. Deze zienswijze bracht hij naar voren in een voordracht gehouden op het International Abolitionist Federation International Congress in september 1889 in Genève.
De laatste twee decennia van zijn leven leidde hij een teruggetrokken leven in Baarn en vervolgens in ’s Gravenhage, waar hij op 15 juli 1905 overleed.
Correspondentieadres
William Faber
E-mail: w.r.faber@amc.uva.nl