F. Meulenberg
Jaargang 2022
, volume 7
Jeuk is in de regel weinig meer dan een opdringerige passant, chronische jeuk daarentegen de langjarige partner van mensen met een huidaandoening. In alle gevallen is het vervelend. Dat gaat ook op voor fictieve personages in romans, verhalen en gedichten. Een kleine selectie uit de bellettrie biedt niet alleen inzicht in de representatie en beleving van jeuk maar bevat ook een verrassende tip van een jonge, rollebollende egel. Tot slot blijkt het fenomeen jeuk zelfs voorzien van existentiële dimensies.
De grondtoon van jeuk, in realistische en uiterst praktische zin, vertolkt de Amerikaan Shel Silverstein in toepasselijke kriebelende bewoordingen in één van zijn befaamde gedichten voor kinderen. Hij legt een verrassende relatie bloot tussen jeuk en het huwelijk:
Het leven is lang niet altijd leuk: nieuwsberichten en bange dromen en dan ook nog een keertje jeuk op een plekje waar je niet bij kunt komen. Je draait en zwaait en wringt en wiebelt, je ellebogen kraken ervan, maar nog altijd jeukt en kriebelt dat plekje waar je niet bijkomen kan. Je draait je in kreuken en bochten en vouwen, het lijkt of er van binnen iets knapt. Vandaar dat zoveel mensen trouwen: dan is er tenminste iemand die krabt. [1]
Een heuse levensvraag: Wat is een leven met jeuk zonder vingervlugge krabhanden in de nabijheid?
Huidhoeder
In literatuur voor volwassen zijn het veelal chronische of dramatische ziektebeelden die de boventoon voeren, zoals dementie, cva, kanker en Parkinson. Huidziekten steken daarbij bleekjes af, en de aandacht voor symptomen als jeuk is nog spaarzamer. Toch zijn er vindplaatsen, voor wie er alert op is.
De romanwereld van Ivan Wolffers’ Broer van God zit tjokvol artsen: met een gynaecoloog als stamvader, een huisarts, een arts sociale geneeskunde, een arts die een baan bij een farmaceutisch bedrijf verkiest, een klinisch geriater én een dermatoloog, Jessica van Doornenbos. Wolffers laat zijn personages een weinig positief beeld schetsen van de dermatoloog: “Veel meer dan de huid hoefde ze als dermatoloog niet te zien van mensen.” [2] Zo geringschattend denken Jessica’s familieleden erover, getuige ook deze korte dialoog over een spoedgeval:
‘Ik moet maar even weg’, antwoordde ze. ‘Een noodsituatie. Dat snap je toch wel.’
‘Een noodsituatie in de dermatologie?’
Jeuk lijkt evenmin een complex probleem:
Bij haar in de dermatologie had iemand jeuk en dan was het allergie, een ontsteking of een insectenbeet. Je deed een allergietest om te weten of het echt allergie was, maar je hoefde niet oeverloos met elkaar te kletsen voordat je besloot wat je aan die klacht deed. Eerste het probleem waar de patiënt mee kwam verhelpen, dat was de gouden regel, en dan kun je later kijken of er meer moest gebeuren. Meestal kwamen je patiënten nooit meer terug als de jeuk was verdwenen.
Jessica koos destijds bewust voor dermatologie om niet, net als haar moeder, dag en nacht druk te zijn met haar werk en om meer tijd te hebben voor haar kinderen, “maar in de loop der jaren had ze ontdekt dat ze zelfs als huidhoeder overwerkt kon raken.” Desondanks schopt ze het tot decaan, wat haar binnen de familie de bijnaam Queen Jessica oplevert.
Broer van God is hooguit een aardige roman, vaardig geschreven, met af en toe een uithaal naar dermatologie, maar ook naar psychiatrie (“babybillenzachte wetenschap”) en naar de farmaceutische industrie (“wetenschap is geen modeshow”). De overdaad aan artsen, zonder enige vorm van humor of ironie, werkt niet echt in het voordeel van het boek. Menigmaal moest ik bij lezing denken aan de woorden van Simon Vestdijk: “De ervaring schijnt te leren, dat artsen als mensen gewoonlijk minder interessant zijn dan hun werkzaamheden suggereren. Ze hebben geen tijd om interessant te zijn.” [3]
Grijze zalf
Dat jeuk een belangrijk thema is in de tweede roman van de Vlaamse Saskia de Coster dient zich al aan in de titel: Jeuk. Hier een korte passage over jeuk als repeteerwekker:
Als jongen verbood ik mezelf te krabben aan een muggenbeet. ‘Jeuk’, zei ik. Ik bleef het woord herhalen, ‘jeuk jeuk jeuk jeuk jeuk jeuk jeuk’. Jeuk die door mijn lichaam bleef kruipen tot het een heerlijke gloed werd, over mijn hele lichaam verspreid. Tot de muggen op zoek gingen naar een beter, dankbaarder slachtoffer. [4]
In de Nederlandstalige literatuur is er een andere en beroemder jeukpassage te vinden in de klassieke roman De avonden van Gerard Reve. Op 9 december gaat hoofdpersoon Frits van Egters, kantoorklerk, op bezoek bij Bep Spanjaard, de alleenwonende zus van een vriend. ‘Hoe is het met je been?’, vraagt hij, ‘jeukt het nog altijd zo?’ Bep toont haar been waarop van de enkel tot dicht bij de knie een baan loopt van bruine en donkerrode vlekken. Zonder haar antwoord af te wachten trekt de cynische Van Egters van leer. ‘Het woekert gestaag voort’, stelt hij en hij schetst haar een toekomstbeeld waarin zij haar benen verliest en op een rijdend karretje moet gaan bedelen. Het lijkt erop alsof hij aanhanger is van de aloude overtuiging dat een huidziekte ‘naar binnen kan slaan’ of, omgekeerd, dat een huidziekte een oppervlakkige uiting is van een complex innerlijk lijden, dan wel van zekere persoonlijkheidskenmerken. Hij doet zijn uiterste best haar een ernstige complicatie aan te praten, maar de nuchtere Bep trapt daar niet in.
Of zij nog onder behandeling is bij een specialist, informeert Van Egters. En zo ja, welke behandeling krijgt ze dan? Hij vermoedt “koudwatermassage”. Bep antwoordt dat ze “grijze zalf” krijgt die de jeuk eigenlijk alleen maar verergert. Maar sinds kort heeft ze wel de definitieve diagnose van de arts gehoord, want een kwaal “moet een naam hebben”. Die naam luidt: “familie van eczeem.” Frits schampert meteen over dokters:
Praten, dat kunnen ze goed. (…) Tot je naar een kwakzwalver gaat. Dat kost je behalve je geld, ook je zenuwen. Maar soms helpt het. Waarom ga je nog niet naar een goede wonderdokter? Een bekwame handoplegger? [5]
Tot zijn verbazing heeft Bep al een beroep gedaan op zo iemand. De therapeut maakt strelende bewegingen boven haar been, zonder haar aan te raken. Na de sessie slaat hij zijn handen uit, alsof ze nat zijn. En niet zonder resultaat. Het jeukt niet meer … Ach, de patiënt van toen lijkt op de patiënt van nu: hij wantrouwt elke therapie, maar wil ze wel allemaal stuk voor stuk proberen.
Overgevoeligheid
Veelal beperken de literaire fragmenten over jeuk tot gangbare verschijningsvormen, zoals het niet goed kunnen verdragen van kleding. Een kort voorbeeld uit Ik vergeet je niet van de IJslandse Yrsa Sigurðardóttir:
Ze was rusteloos en klaagde dat ze de jeuk van haar wollen sokken niet kon verdragen. Van de twee kwaden was het echter beter om te krabben dan dood te vriezen, dus koos ze voor de jeuk en krabde zichzelf met een oude breinaald die ze tussen twee losse vloerplanken had gevonden. [6]
Ook de Zweedse Hanna Lindberg wijst op een mogelijke overgevoeligheid, in dit geval een wasmiddel. Glamourfotograaf Lennie Lee heeft er veel last van:
Lennies hoofd begon vreselijk te jeuken. Hij wreef over zijn nek. Hij voelde dat de jeuk zich over zijn rug verspreidde. Zijn huid werd warm en brandde. Hij herinnerde zich een van de ergste momenten uit zijn jeugd. Hij had statiegeldblikjes gezocht langs de weg. Een oudere jongen die hem altijd tegen de muur duwde wanneer ze elkaar op school in de gang tegenkwamen, kwam zijn kant op fietsen. Lennie wierp zich in het hoge gras om aan een ontmoeting met hem te ontkomen. Maar het gras was geen gras, het waren brandnetels. [7]
Lennie blijft zoeken naar de oorzaak van de jeuk. Hij voelt zich een schurftige hond. Zou het echt schurft zijn, vraag hij zich af. De oorzaak blijft buiten beeld en voor Lennie resteert de zichtbare weerslag van de jeuk en vooral het krabben: rode schrammen op zijn buik en bovenbenen.
Al die voorbeelden zijn van passagère jeuk. Chronische jeuk is een andere dimensie en is soms zelfs een hel met vergaande implicaties voor het dagelijks leven, aldus de Franse Lorette Nobécourt:
Ik heb mij absoluut zeker gekrabd, en ik kan hier bevestigen dat wie nooit de ononderbroken jeuk heeft gekend, weinig weet van de hel. Ah, het vreselijke dat mij zo lang, voordat je erover kon praten, een vreemde voor de wereld heeft gemaakt, dat vreselijke die mij zo veel jaren maagd
heeft laten zijn. [8]
Egelkunde
Wie een kindergedicht aanhaalt, moet ook een gedicht voor volwassen kunnen citeren … In de bundel Het ontbrokene geeft de hermetische dichter Hans Faverey ook blijk van zijn absurdistische humor. Humor die doet denken aan het werk van Samuel Beckett, diens Nederlandse volgelingen in de sketches van Herenleed en de cartoons van Gummbah. In een strofe van Faverey zoekt een jonge egel een remedie zoekt voor zijn jeuk:
Een jonge egel heeft jeuk,
krijgt opeens een idee
en laat zich giechelend
van een helling rollen. [9]
Mensen zijn net als egels: gewoontedieren met hun eigen stekeligheden. Luidruchtige wezens die zuchtend, kreunend en korrend door het bestaan trippelen. Wezens die ruzie zoeken, seks hebben maar uiteindelijk een solitair leven leiden.
Filosofische jeuk
De Engelse Emily Koch presenteert in haar thriller, als een van de weinigen, een metafoor voor de jeuk die ze beschrijft, namelijk als vliegen die over het lichaam kuieren:
De rest van de dag had ik meer jeuk dan anders, overal op mijn armen en aan de binnenkant van mijn klam aan elkaar plakkende benen. Een hele zwerm vliegen leek met hun strontpootjes over me heen te wandelen. En ze dwaalden ook mijn hoofd in. Rondzoemend in mijn brein kwelden ze me met vragen. [10]
Koch raakt aan een kernpunt: jeuk scherpt de zintuigen aan en zet iemand aan tot denken. Dan is de stap naar filosofie nog slechts een kleintje. In een van zijn beroemde korte opmerkingen stelt de filosoof Ludwig Wittgenstein de vraag, zoals zo velen voor en na hem dat deden, of de filosofie in de loop der tijd enige vooruitgang heeft geboekt. Wanneer iemand krabt waar het jeukt – zo vraagt hij zich af – telt dat dan als vooruitgang? Zo niet, betekent dat dan dat het geen écht krabben was of geen échte jeuk? En zou deze reactie op de prikkel niet een hele tijd kunnen doorgaan, totdat men een echte remedie voor het jeuken vindt? Naar het antwoord op die vraag ging de Belgische filosoof en romanschrijver Patricia de Martelaere op zoek in een van haar prachtige essaybundels. Zij schrijft:
Er zijn natuurlijk veel vormen van jeuk, en veel manieren om te krabben. Bij sommige vormen van jeuk is het krabben zelf de remedie, omdat de jeuk dan zonder meer meteen verdwijnt. Bij andere soorten jeuk is het krabben echter merkelijk een achteruitgang, omdat de jeuk eerst dan pas werkelijk lijkt te beginnen. Er is de vage kriebeling tussen de schouderbladen of onder de oksel, die in een verstrooide handomdraai kan worden weggewreven. Er is de uitbundige jeuk van muggenbeten, die meerdere hartstochtelijke krabpartijen vergt. Er is de pijnlijke tinteling van brandnetels, die niet goed weet of ze wel om krabben vraagt. Er is de jeuk van huideczeem, van ontstekingen, van zonnebrand en van genezende wonden. [11]
Voor wie filosofie met enig huiver betracht, en filosofische geschriften in de regel links laat liggen, zijn De Martelaeres gedachten een verademing. De beleving van de gewone mens sluit daarin aan bij de kennis van de dermatoloog en de inzichten van de filosoof. Vervolgens stelt De Martelaere de
hamvraag: Moet je krabben als het jeukt? Ouders adviseren hun kinderen immers dat vooral niet te doen. De Martelaere noteert:
Wie nooit heeft gekrabd, op een zwoele zomernacht, nat van het zweet, uitgeput en slapeloos, met het scherp van de nagels en tot bloedens toe, hopeloos en zonder verlichting – wie nooit heeft ondervonden hoe het genot uiteindelijk toch nog een gestalte kan worden van de kwelling – die heeft misschien ook wel een kleinigheid gemist.
Vergeet niet: Saskia de Coster typeerde jeuk al als ‘een heerlijke gloed’. De Martelaere rekt die ambiguïteit nog iets verder op: enerzijds is jeuk vervelend, van de andere kant is er de troost en zelfs het genot van het krabben.
Literatuur
1. Silverstein S. Licht op zolder. De Fontein, Baarn 1982:52 [vertaling: Willem Wilmink].
2. Wolffers I. Broer van God. Arbeiderspers, Amsterdam 2017.
3. Vestdijk S. De zieke mens in de romanliteratuur. De Bezige Bij, Amsterdam 1977.
4. De Coster S. Jeuk. Bert Bakker, Amsterdam 2004.
5. Van het Reve GK. De avonden. De Bezige Bij, Amsterdam 1970.
6. Sigurðardóttir Y. Ik vergeet je niet. The House of Books, Vianen/ Antwerpen 2013:145 [vertaling: Corry van Bree].
7. Lindberg H. Stockholm confidential. De Boekerij, Amsterdam 2018 [vertaling: Edith Sybesma].
8. Nobécourt L. La démangeaison. J’ai lu, Paris 1994 [vertaling: Marianne Palm].
9. Faverey H. Ver weg in zee. In: Verzamelde gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 1993:645.
10. Koch E. Als ik doodga voor ik opsta. Prometheus, Amsterdam 2018 [vertaling: Sjaak de Jong]. 9: 53
11. De Martelaere P. Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood. Meulenhoff/Kritak, Amsterdam 2000.
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl