Een zadelneus afgebeeld als uiting van congenitale syfilis

Terug

3 min. leestijd

Delen via:

J. Toonstra, M.B. Crijns

Jaargang 2017

, volume 3

Artikel in PDF

Wie de recente boeiende tentoonstelling over De Lairesse in Rijksmuseum Twente heeft bezocht (10 sept 2016 t/m 22 januari 2017) heeft daar een portret van de hand van Rembrandt van De Lairesse kunnen zien waarop deze staat afgebeeld met de duidelijk zichtbare kenmerken van een zadelneus door aangeboren syfilis (figuur 1 en 2).

Gerard de Lairesse (1641-1711) was in de laatste decennia van de zeventiende eeuw de belangrijkste schilder in de Nederlanden. Vanuit zijn geboortestad Luik, waar vandaan hij moest vluchten, kwam hij via Utrecht in 1665 aan in Amsterdam waar hij ook Rembrandt bezocht in diens atelier. Deze schilderde zijn portret toen De Lairesse 24 jaar oud was in grove penseelstreken waarin het aangetaste gelaat niet mooier wordt voorgesteld dan het in werkelijkheid is. Op het zelfportret dat De Lairesse ongeveer tien jaar later maakt, zijn deze misvormingen duidelijk weggelaten (figuur 3).

Volgens de catalogus van de expositie schildert De Lairesse tussen 1665 en 1690 voor schatrijke Hollandse regenten honderden historiestukken, portretten, wanddecoraties, plafondstukken en toneeldecors. “De onderwerpen die De Lairesse verbeeldt, zijn bijna altijd ontleend aan de antieke mythologie en de geschiedenis. Zijn composities zijn perfect, zijn figuren sterk geïdealiseerd en zijn palet is helder en kleurrijk. Met fluwelen toets paart hij een uiterst verfijnde stofuitdrukking aan het grote gebaar van de klassieke meesters van de Italiaanse Renaissance en het Franse Classicisme.

Zijn stijl wordt door talrijke schilders bewonderd en nagevolgd. Op het toppunt van zijn roem wordt Gerard De Lairesse door het noodlot getroffen, in 1689 wordt hij plotseling blind als gevolg van de syfilis. Belemmerd om ooit nog te kunnen schilderen, gaat hij schrijven en verkondigt hij het ideaal van de klassieke schoonheid. Zo ontwikkelt hij zich in de laatste twintig jaar van zijn leven tot de meest invloedrijke kunstpedagoog die Nederland ooit heeft voortgebracht”. De biograaf en tijdgenoot Arnold Houbraken (1660- 1719) had zich laten vertellen dat toen De Lairesse net in Amsterdam was komen wonen en zich bij de kunsthandelaar Gerrit Uilenburg meldde, twee daar aanwezige schilders “hem, van wege zyn misselyk figuur, verzet stonden aan te kijken”. Ook schreef Houbraken dat eens in een kroeg de schilder Emanuel de Witte De Lairesse had beledigd met zijn (gebrek aan) neus, “ ’t welk Lares euvel opnam”. Houbraken vond de belediging nogal bot tegenover de arme De Lairesse, “want de Venusziekte had zijn neus dus wanstallig niet herschept, maar hy was met dezelve dus geboren, als my gebleken is aan zyn afbeeldzel door hem zelf geschildert toen hy 17 jaren oud was”.1 In 1729 memoreerde de biograaf Jacob Campo Weyerman nog eens dat De Lairesse een “misselijke platte kalamuksche tronie” had. Onvriendelijk voegde hij eraan toe: “hij was nog minder geneust als een Bolonees schoothondje, en kon gemakkelijk in de monstering doorgaan van een onderdaan van den koning der Menschen-eters”.1

Op het schilderij De Waarzegster van George de la Tour (1593-1652) is een oudere vrouw afgebeeld met een prominerend voorhoofd en terugwijkende neusrug (figuur 4). De diepe groeven rond de mond passen ook bij een congenitale syfilis. Zij leest de hand van een jongeman en voorspelt de toekomst terwijl haar drie jonge medeplichtigen hem stiekem allerlei kostbaarheden ontfutselen. Volgens Dequeker betreft het ook een geval van congenitale lues.2

Congenitale syfilis

Huidverschijnselen kunnen bij congenitale syfilis bij de geboorte aanwezig zijn in de zin van confluerende maculeuze exanthemen, vaak gelokaliseerd op handpalmen en voetzolen (syphilis congenita praecox). Daarvoor werd ook de term pemphigus syphiliticus wel gebruikt. Andere kenmerken zijn:
een snuffelneus, conjunctivitis, slijmvliespapels in de mond en vochtige papels rond de anus volgens het Leerboek Geslachtsziekten van Prakken uit 1948.3 Men spreekt van syphilis congenita tarda wanneer de verschijnselen tegen de schoolleeftijd of later ontstaan. De belangrijkste stigmata zijn: verdikte prominerende tubera frontalia, sabelbenen, een zadelneus, hutchinsonstanden, littekens rond de mond en verdikte claviculae (figuur 5). Een zadelneus is een gevolg van destructie van het neusskelet door een gummateuze osteomyelitis, waardoor de neusrug inzakt en de neusgaten min of meer naar voren gericht zijn. Niet zelden is er dan ook een perforatie van het verhemelte (meestal palatum molle) bij aanwezig. Volgens Prakken kan men patiënten met aangeboren syfilis herkennen aan hun gezichtsuitdrukking (facies syphilitica).3

Literatuur

1. Crijns MB, Leeuwen R van. Huidziekten in de beeldende kunst. Glaxo Zeist, 1992:65-7.
2. Dequeker J. De kunstenaar en de dokter. Anders kijken naar schilderijen. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 2006:92-3.
3. Prakken JR. Leerboek der geslachtsziekten. Scheltema en Holkema, Amsterdam, 1948:118-23.

 

Correspondentieadres
Johan Toonstra
E-mail: johan.toonstra@gmail.com