Mart Smeets
Jaargang 2019
, volume 8
Maarten Ducrot vertelde me ooit dit verhaal. Hij sliep met Joop Zoetemelk op een kamer. Dan stond Joop op, trok de gordijnen opzij en zag dat het hard regende. Joop keek naar de lucht en sprak: “We zullen er toch doorheen moeten.” Drie dagen later opende hij weer de luiken. De zon scheen fel, het zou een pufhete dag worden. Joop zei: “We zullen er toch doorheen moeten.” Probleem opgelost.
Je had in de jaren tachtig een Spaanse renner die Eduardo Chozas heette. Hij won etappes als het boven de 38 graden Celsius was. Solo ook nog, want niemand kon zo door de zon rijden als hij. Ooit zag ik hem in zijn bijna nakie, het was in een rennershotel waar ook wij van de NOS sliepen. Chozas stond in zijn blote niksie, op slippertjes na op zijn balkon. Renners die zomers lang in de zon hebben gereden, krijgen van die door en door bruine armen (tot de nauwelijks aanwezige spierballen) en hebben vaak bijna diepbruine dijen en kuiten (tot sokjeshoogte en vanaf tien centimeter boven de knie). Insiders weten ook dat zulke renners er naakt godsgruwelijk bespottelijk uitzien: het intens witte lijfje, de strak-witte billen en bovenbenen, de neutrale pieleman die onschuldig in dit lijf huist en zich van geen kleur ook wat aantrekt en de hyperenge witte voetjes, precies van de enkelknobbels af.
Ik kan me goed indenken dat het tonen van een dergelijk lijfje (vele professionele renners die ik meemaakte, hadden een bijna eng aandoend lijfje, met spillenarmen en bijna geen kont) in de nabijheid van vrouw of vriendin nog wel eens tot proestbuien heeft geleid. Een blote renner is de anti-Tarzan van deze wereld, ik denk ook dat hij voor de daad het licht snel uitdoet.
Wat ik me, als professioneel volger, zelden tot haast niet afgevraagd heb, is of dat door weer en wind en dus ook door de zonneschijn rijden, wel gezond is voor de eigenaren van die lijfjes. Kijk, van sommigen van die mannen weten we dat er niks lekkerder is dan het koersen met vorst om hen heen; flinke vorst zelfs in het geval je Steven de Jongh of Gerrit Solleveld heet. Laatstgenoemde demotiveerde zijn tegenstanders door in regen of sneeuw, met temperaturen rond het vriespunt, expres in een shirt met korte mouwtjes aan het vertrek te komen. ‘Sol’ won ooit Gent-Wevelgem toen het vroor en anderen huilend afstapten. Hij ging alleen maar harder rijden. In de zomer kreeg diezelfde Sol een kop als een tomaat, zeker in de Tour. De zon was niet zijn vriend.
Neen, dan moest je bij Chozas komen. Zijn armen leken op gelooid leder, hij was zo onwaarschijnlijk diep bruin en het kreng ging, hoe warmer het werd, ook nog harder fietsen. Overigens heeft Nairo Quintana ook een zeer opmerkelijke bruinkleur op armen en benen, terwijl ene Eddy Merckx er ook wat van kon.
Ik maakte echter ook mannen mee die niet bruinden, maar heftig gingen zweten en een soort van roodzweem over hun armen en benen kregen. Rossige renners waren dat, sproetenmannen, Charly Bérard, Stephen Hodge, Steven Kruijswijk en in iets mindere mate Jan Ullrich (rood haar, nietwaar?). Als het stil was in het peloton hoorde je ze om regen en wind smeken of zelfs bidden.
Kijk, deze groep sporters nam van alles in om harder te gaan fietsen en passeerde daarbij vrijwel alle limieten. Maar letten die mannen op hun huid? Of ze ooit goed door hun ploegartsen zijn voorgelicht op de invloed van de vaak aanwezige sterke zonnestralen, lijkt me niet. Wielerartsen waren er (ik houd het maar op de verleden tijd van het werkwoord) om renners harder te laten rijden en langer te laten doorgaan. Ze kieperden er tonnen aan pillen in bij hun poulains, alles natuurlijk in het grijze schemergebied, maar of ze een crèmepje meegaven als er naar de bakoven van Albi gereden moest worden … zoals Daan de Groot daar ooit koolbladeren in zijn pet stopte en die bladeren dan als een beschermlaag over zijn nek drapeerde, dat betwijfel ik zeer. Ze waren er niet om een beschermend gesprekje met hun mannen te voeren. Een (gratis verkregen, supersonische) zonnebril moest immers voldoende zijn. En verder … veel drinken, liefst tussen de tien en veertien bidons en bij opkomende vermoeidheid een colaatje of een heerlijk pijnstillertje. Jacques Anquetil koos wel eens voor een klein flesje champagne…dat borrelde lekker bij hem in de finale.
Dus: Wordt er iets tegen die koperen ploert gedaan? Zeker nu we steeds meer zonrijke etappes krijgen en regen- en koudweer-renners om het luidst zitten te vloeken als er in de Algarve, langs de Côte d’Azur of op weg naar Granada gereden moet worden.
Ik maak me zelfs sterk dat er in het huidige grote peloton geen afdoende, goed uitgelegde wijze om je tegen de felle zon te beschermen, bestaat. De zon is immers veelal als vriend van ook deze tak van de mensheid gezien en nooit als tegenstander.
Nog altijd weet ik hoe ik vol verbazing naar het lijfje van Chozas heb staan kijken. Dat intense bruin naast dat enge wit op één levend wezen. Mevrouw Chozas moet het toch opwindend gevonden hebben, vermoed ik.
Mart Smeets is radio- en televisiepresentator, en was jarenlang het boegbeeld van NOS Studio Sport. Vele jaren verzorgde hij voor de NOS live-reportages uit de Tour de France. Hij is daarnaast columnist en auteur van tientallen boeken.