Bijdrage tot de kennis van erythema exsudativum multiforme, H. Hamminga, 1956

Terug

4 min. leestijd

Delen via:

L. Hamminga, E.A. Hamminga

Jaargang 2017

, volume 8

Inflammatoire dermatosen

Artikel in PDF

Correspondentieadres:
Bert Hamminga
E-mail: lhammingazw@gmail.com

Hendrik Hamminga promoveerde op woensdag 21 maart 1956 bij prof. dr. M. Ruiter aan de Rijksuniversiteit te Groningen op Bijdrage tot de kennis van erythema exsudativum multiforme (EEM).

De inleiding

In de inleiding wordt beschreven hoe Hebra (Ferdinand von Hebra, Weense dermatoloog, een van de grondleggers van de ’moderne’ dermatologie) heeft geprobeerd orde te scheppen in de chaos die er over erythemen heerste en hoe hij tot het opstellen van dit ziektebeeld is gekomen. Vervolgens wordt beschreven in welke mate zijn opvattingen nadien aan wijzigingen blootgesteld zijn geweest. De schrijver is van mening dat latere opvattingen, die niet onaanzienlijk verschilden van het oorspronkelijke concept van Hebra, tot verwarring aanleiding hebben gegeven. De door verschillende auteurs gedeelde zienswijze dat erythema exsudativum multiforme als een syndroom moet worden beschouwd en vaak voorkomt in associatie met tuberculose en streptokokkeninfecties , heeft hiertoe waarschijnlijk in aanzienlijke mate bijgedragen. Schrijver veronderstelt dat er wezenlijke verschillen zijn tussen wat hij de idiopathische EEM noemt en de symptomatische EEM. Een onderscheid, desnoods van voorlopig karakter, tussen deze typen lijkt de schrijver in het bijzonder van belang, omdat slechts vanuit dit gezichtspunt een onderzoek naar de etiologie van EEM met vrucht kan worden verricht. In hoofdstuk II en III wordt daarom op grond van eigen bevindingen en literatuuronderzoek nader ingegaan op de verschillen tussen bovengenoemde typen.

Hoofdstuk II: EEM idiopathicum

Hierin worden de klinische verschijnselen en efflorescenties tot in detail beschreven, die nauwelijks verschillen met wat in de huidige leerboeken staat.

Hoofdstuk III: atypische vormen van EEM

Hierin wordt besproken dat onder meer van de kant van de internisten talrijke gevallen onder de benaming EEM zijn gepubliceerd, waarbij aan tuberculose, streptokokkeninfecties, medicamenten (onder meer sulfapreparaten) etiologische betekenis is toegekend. Hierdoor en op grond van het feit dat de klinische verschijnselen, de distributie van de huidafwijkingen en het beloop bij deze patiënten sterk afwijken van de oorspronkelijke beschrijving van Hebra, baseert schrijver zijn conclusie om het door hem aangegeven onderscheid te handhaven. In dit hoofdstuk komt ook nog het stevens-johnsonsyndroom ter sprake.

Hoofdstuk IV: onderzoekingen omtrent de etiologie van de idiopathische vorm van EEM

In dit hoofdstuk wordt bij zeventien patiënten die voldoen aan alle criteria van EEM zoals beschreven in hoofdstuk II uitvoerig aanvullend onderzoek gedaan. Op grond hiervan concludeert de schrijver dat de idiopathische vorm van EEM bij deze patiënten waarschijnlijk niet door tuberculose of een streptokokkeninfectie veroorzaakt wordt. Het is ons tevens niet gelukt aanknopingspunten voor een mogelijke etiologie voor dit ziektebeeld te vinden.

Hoofdstuk V: gegevens uit de literatuur aangaande de etiologie van erythema exsudativum multiforme

Hierin beschrijft de auteur dat er over de etiologie van EEM nogal wat verschil van mening bestaat. De reden hiervoor ligt in het feit, dat de opvattingen over dit ziektebeeld sterk uiteenlopen. Als oorzaken worden genoemd streptokokkeninfectie, tuberculose en medicamenten zoals sulfapreparaten. Vermeld wordt dat aan de eisen, die bij de diagnose EEM dienen te worden gesteld, dikwijls onvoldoende aandacht besteed is en dat aan de noodzaak van een scheiding in de idiopathische vorm en symptomatische vorm van dit ziektebeeld niet de hand is gehouden.

Hoofdstuk VI: histologisch onderzoek

In die jaren stond het histologische beeld van het blaartype bij verschillende dermatosen sterk in de belangstelling. Om die reden is gekozen voor histologisch (HE-coupes) onderzoek naar het blaartype bij patiënten met EEM. Aangetoond wordt dat het bij deze groep gaat om een goed herkenbaar beeld met intra-epidermale blaarvorming.

Conclusies

– Erythema exsudativum multiforme (EEM) is een apart ziektebeeld binnen de groep erythemateuze huidaandoeningen met een kenmerkend ziektebeloop en kenmerkend huidbeeld
– De auteur stelt voor dit beeld idiopathische EEM te noemen en de overige ziektebeelden symptomatische EEM
– Bij patiënten die voldeden aan de in dit proefschrift beschreven criteria voor EEM werden geen aanwijzingen gevonden voor onderliggende tuberculose of streptokokkeninfectie.
– Oorzaak (etiologie) voor EEM kon niet worden aangetoond.
– Bij de idiopathische vorm tonen de histologische coupes van de blaren een wel omschreven beeld. (dit in tegenspraak met de literatuur waar verschillende blaartypen worden onderscheiden.)

Curriculum vitae

H. (Hendrik) Hamminga, werd in 1919 geboren in Oude Pekela en verhuisde op kleuterleeftijd naar Zuidlaren waar zijn vader zich vestigde als huisarts. Tot zijn dood in 2007 bleef hij in Zuidlaren wonen. In 1938 begon hij met de opleiding geneeskunde in Groningen en haalde na de oorlog zijn artsexamen. Kort daarna ging hij als dienstplichtig arts naar toenmalig Nederlands Indië, nu Indonesië. In 1949 startte hij zijn opleiding tot dermatoloog bij prof. dr. M. Ruiter. In 1954 vestigde hij zich in Groningen aan de Ubbo Emmiussingel en was verbonden aan het R.K. Ziekenhuis. Begin jaren zeventig zette hij de praktijk voort in bovengenoemd ziekenhuis. Daarnaast hield hij ook spreekuur in Delfzijl, Hoogezand en aan huis in Zuidlaren. Zijn enthousiasme voor het vak heeft hij doorgegeven, want ik werd dermatoloog en later ook mijn dochter. In 1984 ging hij met pensioen. Daarna heeft hij nog waargenomen op verschillende plaatsen in de Noordelijk Provincies. Ook nam hij waar in mijn praktijk in de Weezenlanden (nu Isala ) te Zwolle als ik (destijds nog werkzaam als solist) op vakantie ging. Hij was een verwoed zeiler en toen hij hier fysiek niet goed meer toe in staat was, voer hij met zijn open motorsloep aanvankelijk door Friesland, later ook door Drenthe maar vooral door de wateren in Noord-Groningen (de zogenoemde Groninger maren).