Opent in een nieuw tabblad

De vijfde geschiedenisdag van de NVDV

Terug

4 min. leestijd

Delen via:

Auguste Glastra

Jaargang 2026

, volume 7

Artikel in PDF

Het was een prachtige zonnige dinsdag op 14 april 2026 in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Dus ideaal voor de zeer geslaagde een leerzame rondleiding op het terrein, die in de middag plaatsvond.

De pest in Amersfoort

Het ochtendprogramma werd geopend door drs. Gerard Raven, voormalig curator van Museum Flehite in Amersfoort. Zijn lezing getiteld Die affschuwelijcke ende droevige syeckte – De pest in Amersfoort 1350-1667 werd geïnspireerd door de coronapandemie, die veel overeenkomsten vertoonde met de verspreiding van de pest. De eerste pestepidemie, ontstaan door een zoönose, kwam ook uit China en verspreidde zich in 1347 snel over Europa via diverse handelsroutes, o.a. via de belangrijke stad Venetië. Daar lagen de besmette scheepslieden veertig dagen in hun vaartuig op de rede, vandaar het woord quarantaine (quaranta). Maatregelen als afstand houden, doek voor mond en neus en isoleren werden ook toen al toegepast, hoewel dat binnen families vrijwel onmogelijk was en daarom ook veel gezinnen stierven, waarvan 60% kinderen. De situatie in Amersfoort met de steeds terugkerende uitbraken werd uitgebreid beschreven, zoals hoe de zieken werden verzorgd door de celzusters, de zieken werden opgenomen in het Pesthuis bij Sint Rochuskapel (deze heilige genas zelf van de builenpest) die buiten de stadsmuren lag. Iedereen maakte wel een epidemie mee, om de tien jaar was er weer een uitbraak. Dit duurde tot 1667, toen de epidemie langzaamaan uitdoofde.

Een eigenzinnig ventje

De volgende spreker was prof. dr. Frederik van Sluijs, emeritus- hoogleraar diergeneeskunde en voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. De titel van zijn voordracht luidde: In het spoor van Vitus Bruinsma. Deze Bruinsma was een eigengereid ventje die na het verlaten van zijn ouderlijk huis via zijn oom Jozef een baan kreeg bij de Leeuwarder gasfabriek en vervolgens scheikunde kon studeren, nadien gevolgd door een promotie summa cum laude tot doctor in de natuurwetenschappen. Hij was een sociaal geëngageerd leraar, werkte aan het rechtzetten van veel misstanden in het onderwijs en was tevens een progressief politicus naast Domela Nieuwenhuis en Troelstra. Door het bijwonen en onderzoeken van spiritistische seances werd hij gestimuleerd tot een kruistocht tegen de kwakzalverij. Hij richtte in 1881 samen met zijn broer Gerard de Vereniging tegen de Kwakzalverij op. Men richtte zich vooral tegen de zogenaamde geheimmiddelen, de homeopathie, osteopathie en chiropraxie. Het ontstaan van deze praktijken werd besproken, tevens hoe deze ontzenuwd werden met zelfs rechtszaken voor de vereniging die door de hoge geldboetes bijna ontbonden werd. Rechtszaken hebben overigens tot in de huidige tijd plaatsgevonden, grotendeels met succes voor de vereniging. Aardig detail: in 1878 verscheen een boekje met als titel Kwakzalverij met geneesmiddelen en de middelen om haar te bestrijden. Een boekje voor allen die hun gezondheid en hun beurs liefhebben.

Zoektocht naar de oorzaak

Tot slot sprak dr. Rob van de Berg, historicus over Hoe twee Nederlandse artsen de vitamines ontdekten en er één met de Nobelprijs vandoor ging. Al in een brief in 1611 van gouverneur Pieter Both aan de Heren XVII werd melding gemaakt van beri beri. De Nederlanders in de Oost hadden er niet zozeer mee te maken, tot de Atjeh oorlog rond 1870, waarbij soldaten ziek werden met verschijnselen van beri beri. De artsen Pekelharing en Winkler werden naar Nederlands Oost-Indië gestuurd om dit uit te zoeken. Gezien de ontdekkingen van Robert Koch op microbiologisch gebied werd in eerste instantie gedacht aan een infectieus agens en men richtte het onderzoek daarop, echter zonder resultaat. De postulaten van Koch werden ook niet vervuld, ondanks de rigoureuze desinfectiemaatregelen waaraan wellicht mensen zelfs stierven. Christiaan Eijkman werd directeur van het laboratorium in Batavia en dacht ook aan bacteriële oorzaak. De kippen op het erf werden gevoerd met gekookte witte rijst en ontwikkelden dikwijls polyneuritis, echter toen de kok daar vertrok kwam er een nieuwe man in de keuken, die de kippen bruine rijst voerde en wat gebeurde er: de kippen werden niet meer ziek. Men dacht aan mineralen in het zilvervlies van de korrels. Vele andere onderzoekers volgden die diverse verklaringen hadden, tot Gerrit Grijns, eerst assistent van Eijkman en later directeur, experimenten uitvoerde en alle theorieën ontzenuwde. Hij noemde het een gevolg van een deficit “een partiële honger naar stoffen die we niet kunnen missen”. Hij publiceerde zijn bevindingen in 1901. Ook elders werd gezocht naar speciale bouwstoffen in de voeding, o.a. door Frederick Hopkins in de UK en later Casimir Funk, die de term “vitamine” muntte. Jansen en Donath isoleerden uiteindelijk uit tonnen rijstzemelen vitamine B1 kristallen (een ton levert een theelepel vitaminekristallen op). In 1929 ontvingen Rijkman en Hopkins. (vitamine A en D) de Nobelprijs geneeskunde, Eijkman eigenlijk op grond van de verkeerde conclusie dat zich een gif in de voeding bevond. Grijns en Jansen zijn wel genomineerd, maar hebben de prijs nooit gekregen. Een leerzame ochtend over zeer diverse en boeiende onderwerpen, gewaardeerd door de toehoorders. Een succesvolle jaarlijkse bijeenkomst die de werkgroep geschiedenis nog lang wenst voort te zetten.

Correspondentieadres

Auguste Glastra
E-mail: auguste.glastra@gmail.com