M.L.A. Schuttelaar
Jaargang 2019
, volume 8
Nog geen anderhalf jaar na het verschijnen van deel I van de serie Monographs in Contact Allergy geschreven door collega Anton de Groot (boekbespreking [1]) is onlangs deel II gepubliceerd, waarin parfumgrondstoffen (fragrances) en etherische oliën (essential oils) worden gepresenteerd. Contactallergie voor parfumgrondstoffen is een zeer actueel onderwerp. De auteur heeft berekend dat ten minste 4,5% van de algemene populatie allergisch is voor een of meer fragrances en in gespecialiseerde klinieken blijkt tot 20% van alle patiënten bij wie plakproeven worden verricht parfumallergisch. Dat zoveel mensen gesensibiliseerd worden, komt niet doordat veel parfumgrondstoffen sterke haptenen/allergenen zijn, maar omdat bijna iedereen dagelijks aan deze chemicaliën wordt blootgesteld. Een recente belangrijke ontdekking is dat linalool en limoneen, twee van de meest gebruikte parfumgrondstoffen, niet zo onschuldig zijn als tot voor kort werd aangenomen. De stoffen puur zijn weliswaar zwakke allergenen en geven zelden positieve plakproefreacties, maar bij blootstelling aan zuurstof worden hydroperoxiden gevormd die een veel sterker sensibiliserend vermogen hebben. Toen men plakproeven is gaan verrichten met linalool- en limoneenhydroperoxiden, bleken beide een groot aantal positieve reacties te geven, in onze kliniek bijvoorbeeld bij 11,7% resp. 9,4% van 821 patiënten bij wie deze stoffen in de periode 2015-2017 routinematig werden getest. [2]
Het boek begint met een inleiding waarin de auteur uitlegt waarom hij het boek heeft geschreven, waarin duidelijk wordt welke gegevens worden gepresenteerd en de bronnen daarvan. Daarop volgt hoofdstuk 2 van ongeveer 20 pagina’s waarin diverse aspecten van parfumallergie beschreven worden, waaronder de samenstelling van parfums, in welke producten ze voorkomen, welke de belangrijkste allergenen zijn, hoe vaak allergie voorkomt en welke klinische verschijnselen kunnen optreden. Ook andere bijwerkingen passeren de revue.
Daarna volgt hoofdstuk 3 met monografieën van 165 parfumgrondstoffen die contactallergie hebben veroorzaakt. Elke monografie heeft dezelfde opbouw met een uitgebreide identificatiesectie met naam, beschrijving/definitie, chemische klasse, IUPAC-naam, synoniemen, CAS- en EC-nummers, verwijzingen naar standaarden van IFRA (International Fragrance Association), naar monografieën van RIFM (Research Institute for Fragrance Materials), EU wetgeving, advies voor verrichten van plakproeven, chemische formule en structuurformule. Daarna wordt de literatuur gepresenteerd van de resultaten van plakproeven met de stof in ongeselecteerde groepen patiënten (routinetesten) en in geselecteerde groepen patiënten. Er is altijd een samenvatting en duiding van deze gegevens. Vervolgens worden gepubliceerde casereports en caseseries beschreven, eventuele kruisreacties, sensibilisatie door plakproeven, provocatietesten, testen met verdunningsreeksen en chemische analyses. Hierna worden andere gepubliceerde bijwerkingen besproken zoals irritatie, fotosensibiliteit, directe contactreacties (contacturticaria), type I-allergie en systemische bijwerkingen.
Omdat de etherische oliën ook frequent als parfumgrondstoffen worden gebruikt, is bespreking ervan in dit boek echter volstrekt logisch en de meest recente literatuur over dit onderwerp tot aan begin 2019 is erin opgenomen.
Veel monografieën bestaan uit slechts 1 of 2 pagina’s, maar er zijn ook veel grotere, bijvoorbeeld in het geval van cinnamal, cinnamyl alcohol, geraniol, linalool, hydroxyisohexyl 3-cyclohexenecarboxaldehyde, hydroxycitronellal, eugenol en isoeugenol. De hoofdstukken Parfummix I en Myroxylon pereirae hars (perubalsem) zijn met 25 pagina’s de grootste en zeer gedetailleerd.
Na de parfumgrondstoffen volgt een klein hoofdstuk met monografieën over 16 stoffen die als zodanig niet als parfumgrondstof gebruikt worden, maar die aanwezig zijn in andere parfumgrondstoffen zoals perubalsem, eikenmos (oakmoss absolute), boommoss (treemoss absolute) en theeboomolie (tea tree oil) en die daarin de allergenen kunnen zijn, zoals atranol, aromadendreen, ascaridol en coniferylbenzoaat.
Daarna volgt de sectie Essential oils met in hoofdstuk 5 een overzicht van diverse aspecten van etherische oliën (te vergelijken met hoofdstuk 2 over parfumgrondstoffen), terwijl in hoofdstuk 6 de monografieën van 79 oliën die contactallergie hebben veroorzaakt, gepresenteerd worden. Dit deel is eerder al beschreven in het boek van Anton de Groot en zijn medeauteur Erich Schmidt uit 2016 getiteld Essential oils: Contact Allergy and Chemical Composition (boekbespreking [3]). Omdat de etherische oliën ook frequent als parfumgrondstoffen worden gebruikt, is bespreking ervan in dit boek echter volstrekt logisch en de meest recente literatuur over dit onderwerp tot aan begin 2019 is erin opgenomen.
Het boek eindigt met een hoofdstuk met synoniemen en afsluitend met de Index komen we dan op 965 pagina’s, zodat ook dit tweede deel van Monographs in Contact Allergy in A4plusformaat een tamelijk zware (althans letterlijk) en dikke pil is.
In mijn vorige boekbespreking schreef ik dat ik uitkeek naar deel II. Welnu, in mijn overtuiging zal ook dit boek van Anton de Groot een klassieker worden. De onderwerpen zijn actueel, gedetailleerd beschreven en zeer up-to-date, het boek is overzichtelijk en alle informatie is gemakkelijk te vinden. Monographs in Contact Allergy, Volume II: Fragrances and essential oils bevat een schat aan informatie die zowel bij het diagnosticeren en begeleiden van patiënten met parfumallergie door de dermatoloog alsook voor publicerende dermatologen en wetenschappers van andere disciplines zeer nuttig zal zijn.
Literatuur
1. Schuttelaar MLA. Monographs in contact allergy. Volume I. Non-frangance allergens in cosmetics. Ned Tijdschr Derm Venereol 2018;28:44-5.
2. Dittmar D, Schuttelaar MLA. Contact sensitization to hydroperoxides of limonene and linalool: results of consecutive patch testing and clinical relevance. Contact Dermatitis 2019;80(2):101-9.
3. Rustemeyer Th. Essential oils: contact allergy and chemical composition. Ned Tijdschr Derm Venereol 2017;27:373-4.
Correspondentieadres
Marie-Louise Schuttelaar
E-mail: m.l.a.schuttelaar@umcg.nl