Epidemiologie van lentigo maligna en lentigo maligna melanoom in Nederland, 1989-2013
K. Greveling, M. Wakkee, T. Nijsten, R.R. van den Bos, L.M. Hollestein
Jaargang 2017
, volume 2
1989-2013*
Lentigo maligna (LM) is het meest voorkomende subtype in-situmelanoom en wordt beschouwd als een voorloper van het lentigo-malignamelanoom
(LMM).1-3 Zowel LM als LMM zijn gerelateerd aan cumulatieve zonexpositie en komen met name voor bij ouderen in het hoofd-halsgebied.4
Er wordt de afgelopen decennia in andere landen een stijgende incidentie waargenomen van LM en LMM.3,5 Chirurgische excisie is de gouden standaardbehandeling voor LM. Echter, niet-chirurgische behandelingen (zoals radiotherapie, imiquimod crème of ablatieve laser) worden steeds vaker overwogen, met name voor de grotere laesies in cosmetisch gevoelige gebieden. Het risico op progressie van LM naar LMM is belangrijk voor de behandelkeuze, maar dit is niet goed bekend. Het doel van deze studie was om de incidentietrends van LM en LMM in Nederland te onderzoeken over een periode van 25 jaar (1989-2013) en om het risico op een LMM na een LM te schatten.
Methode
Gegevens over nieuw gediagnosticeerde LM en LMM in Nederland tussen 1989 en 2013 werden opgevraagd bij de Nederlandse Kankerregistratie
(NKR) en het Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA). Incidentiecijfers werden berekend per 100.000 persoonsjaren, gebruikmakend van de jaarlijkse populatiegrootte (bepaald op 1 januari van elk jaar) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het
incidentiecijfer werd aangepast naar leeftijd voor de Europese standaardpopulatie (European standardised rate [ESR]). Om de incidentietrends van LM en LMM over de tijd te berekenen werd de geschatte jaarlijkse procentuele verandering (Estimated Annual Percentage Change [EAPC]) berekend met bijbehorende 95% betrouwbaarheidsintervallen (BI). Joinpointregressieanalyses werden gebruikt om de jaren te identificeren waarin er een significante verandering in trends optrad. Om het risico op een LMM na een histologisch bevestigd LM in te schatten werd het cumulatieve risico tot 25 jaar berekend gebruikmakend van een cumulatieve incidentiecurve.6 De relatieve vijfjaarsoverleving van LM en LMM werd en gebruikmakend van traditionele cohortanalyse berekend als een proxy voor ziektespecifieke overleving.
Resultaten
Tussen 1989 en 2013 werden er in Nederland 10.545 patiënten gediagnostiseerd met een primair LM en 2.898 met een primair LMM. Van alle patiënten met LM was 58% vrouw (n = 6.114), wat vergelijkbaar was met de 57% (n = 1.649) vrouwen onder de LMM-patiënten. De meeste LM (74%, n = 7.845) en LMM (69%, n = 2.002) waren gelokaliseerd in het hoofd-halsgebied. De voor leeftijd gestandaardiseerde incidentiecijfers (ESR) voor LM stegen tussen 1989 en 2013 van 0,68 naar 3,57 per 100.000 persoonsjaren voor mannen en van 0,76 naar 4,16 per 100.000 persoonsjaren voor vrouwen (figuur 1). Voor LMM steeg de ESR van 0,26 naar 1,25 per 100.000 persoonsjaren voor mannen en van 0,22 naar 1,18 per 100.000 persoonsjaren voor vrouwen (figuur 2). In de meeste recente periode steeg de incidentie van LM van 2002 tot 2013 met 6,8% (95% BI, 5,9-7,7) per jaar (voor beide geslachten samen), voorafgaand aan de nog steilere stijging van de incidentie van LMM tussen 2007 en 2013 met 12,4% (95% BI, 8,0-16,9) per jaar (voor beide geslachten samen). In figuur 1 en 2 worden de incidentietrends en EAPC voor mannen en vrouwen apart weergegeven. De cumulatieve incidentie van LMM na een primair LM na 25 jaar follow-up was 2,0% (95% BI, 1,2-2,8) voor mannen en 2,6% (95% BI, 1,9-3,3) voor vrouwen (figuur 3).
De vijfjaarsoverleving was hoog voor zowel LM (104%) als LMM (99%).
Conclusie
De gestegen incidentie van LM en LMM in Nederland lijkt naast een toegenomen bewustzijn7,8, een toegenomen histologische bevestiging van LM,
diagnostische drift9 en een veranderde marktwerking10, ook een werkelijke stijging weer te geven gezien de meest recente stijging van LM werd
gevolgd door een nog steilere stijging van LMM. Het risico op progressie van LM naar LMM is zeer moeilijk te onderzoeken aangezien bij de ideale studie een prospectief cohort, onbehandeld, intensief zou moeten worden vervolgd gedurende een lange periode. In onze studie was het niet mogelijk om de progressie van individuele laesies te vervolgen en daarom hebben we het risico op een LMM (op elke anatomische locatie) na een histologisch bevestigd LM geschat. Dit cumulatieve risico was, met 2%-3% na 25 jaar, laag. Er kan over gediscussieerd worden of dit het werkelijke risico is, of dat dit een over- of onderschatting is. De resultaten van deze studie kunnen artsen en patiënten helpen om de voor- en nadelen van de verschillende behandelingen voor LM tegen elkaar af te wegen.
Literatuur
1. Hemminki K, Zhang H, Czene K. Incidence trends and familial risks in invasive and in situ cutaneous melanoma by sun-exposed body sites. Int J Cancer 2003;104:764-71.
2. McKenna JK, Florell SR, Goldman GD, Bowen GM. Lentigo maligna/lentigo maligna melanoma: current state of diagnosis and treatment. Dermatol Surg 2006;32:493-504.
3. Swetter SM, Boldrick JC, Jung SY, Egbert BM, Harvell JD. Increasing incidence of lentigo maligna melanoma subtypes: northern California and national trends 1990-2000. J Invest Dermatol 2005;125:685-91.
4. Smalberger GJ, Siegel DM, Khachemoune A. Lentigo maligna. Dermatol Ther 2008;21:439-46.
5. Toender A, Kjaer SK, Jensen A. Increased incidence of melanoma in situ in Denmark from 1997 to 2011: results from a nationwide population-based study. Melanoma Res 2014;24:488-95.
6. Kim HT. Cumulative incidence in competing risks data and competing risks regression analysis. Clin Cancer Res 2007;13(2 Pt 1):559-65.
7. Rooij MJ de, Rampen FH, Schouten LJ, Neumann HA. Skin cancer screening focusing on melanoma yields more selective attendance. Arch Dermatol 1995;131:422-5.
8. Krol AD, Rhee HJ van der, Dieleman M, Welvaart K. [The ‘freckle bus’ campaign; an unhealthy phenomenon or a sensible experiment?].De ‘sproetenbus’; een ongezond verschijnsel of een bezonnen experiment? Ned Tijdschr Geneeskd 1990;134:2047-50.
9. Leest RJ van der, Zoutendijk J, Nijsten T, Mooi WJ, Rhee JI van der, Vries E de, et al. Increasing time trends of thin melanomas in The Netherlands: What are the explanations of recent accelerations? Eur J Cancer 2015;51:2833-41.
10. Flohil SC, Seubring I, Rossum MM van, Coebergh JW, Vries E de, Nijsten T. Trends in Basal cell carcinoma incidence rates: a 37-year Dutch observational study. J Invest Dermatol 2013;133:913-8.
Correspondentieadres
Dr. L.M. Hollestein
Erasmus MC
Postbus 2040
3000 CA Rotterdam
Telefoon: 010 703 58 86
E-mail: l.hollestein@erasmusmc.nl