Jicht in de kunst

Terug

3 min. leestijd

Delen via:

J. Toonstra

Jaargang 2017

, volume 1

Artikel in PDF

Jicht is al sinds de oudheid bekend. Het oudste document over de ziekte zou uit Egypte afkomstig zijn, daterend van 2600 v. Chr. met een beschrijving van artritis van de grote teen. Hippocrates (460-377 v. Chr.) beschreef rond 400 v. Chr in zijn Aforismen ook al de ziekte in het hoofdstuk over de
gewrichten waarbij hij opmerkte dat eunuchen niet aan jicht of kaalhoofdigheid lijden en dat de vrouw niet lijdt aan jicht tot de menstruatie ophoudt. In 1683 beschreef Thomas Sydenham, een Engelse arts in zijn Tractatus de podagra et hydrope, hoe de ziekte zich deed gelden in de vroege ochtend, vooral bij oudere mannen: “Jichtpatiënten zijn over het algemeen oude mannen of mannen die zich in hun jeugd zo hebben uitgeput dat zij voortijdig oud zijn geworden, door losbandig gedrag dat veelal bestaat uit te vroege en bovenmatige uitspattingen van wellust en soortgelijke uitputtende passies. Het slachtoffer gaat naar bed en slaapt gezond. Om ongeveer twee uur ‘s nachts wordt hij wakker door hevige pijn in de grote teen, in sporadische gevallen in de hiel, enkel of wreef”. De Nederlander Antonie van Leeuwenhoek beschreef in 1679 als eerste de kristallen bij jicht uit een telkens opnieuw doorbrekende tophus. Hij spreekt over “lange doorschijnende figuertgens, veele aen beijde de eijndenen spits toe lopende” te vergelijken met “stuckjens hair uijt de staert van een paert”.1 Jicht werd vroeger ook wel podagra genoemd waarbij men podagra beschouwde als de dochter van Bacchus en Venus. Doordat rijke lieden wijn, vooral “rinsche” wijn dronken werd podagra ook wel “rijkeluiden-ziekte” genoemd. “Blauw jan” moest zich vooral behelpen met bier en water en had daardoor geen last. Jicht was daarom vooral een ziekte van de adel (king of diseases and disease of the kings). Bekende lijders aan jicht waren Henry VIII (figuur 1), Erasmus en Herman Boerhaave. In Engeland maar ook in Nederland was er een sterke toename van jicht tussen de zeventiende en twintigste eeuw.

Men schreef dit onder meer toe aan loodvergiftiging maar recent is ook aandacht gevraagd voor het sterk toegenomen gebruik van suiker in die periode.2 Suiker heeft een urinezuurverhogend effect. De laatste jaren is er een duidelijke toename van jicht door excessief eten en drinken (een toename van 61% in vier jaar tijd in Engeland).3 Obesitas is de brandstof voor een terugkeer van jicht.

Jichtlijders zijn veelvuldig afgebeeld op oude prenten en schilderijen. Vaak als gezette adellijke figuren na een copieuze maaltijd met wijn of port die dan aansluitend een jichtaanval krijgen. Een fraai voorbeeld hiervan is afgebeeld in figuur 2. De pijn is afgebeeld als een duivel die een pook met een gloeiende kool tegen zijn voet houdt. Op het schilderij aan de muur is de uitbrekende Vesuvius uitgebeeld als symbool voor de naderende pijneruptie. Een bekende afbeelding van hoe heftig een jichtaanval kan zijn is treffend weergegeven in de prent van James Gillray uit 1799 (figuur 3). Niet alleen
in prent of schilderij is jicht afgebeeld maar ook in porselein (figuur 4).

Literatuur

1. Leeuwenhoek A van. Alle de brieven. Deel 3: 1679-1683. N.V. Swets & Zeitlinger, Amsterdam 1948 via de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (www.dbnl.org).
2. Rivard C, Thomas J, Lanaspa MA, Johnson RJ. Sack and sugar, and the aetiology of gout in England between 1650 and 1900. Rheumatology 2013;52:421-6.
3. http://www.news-medical.net/news/20120717/Why-is-theincidence-of-gout-increasing.aspx (17 juli 2012).

 

Correspondentieadres
Johan Toonstra
E-mail: johan.toonstra@gmail.com