J.J.E. van Everdingen, F. Meulenberg
Jaargang 2018
, volume 4
Willem van Vloten (Bandung, Indonesië, 1941) was vicevoorzitter van 1984-1987, en voorzitter van 1987-1989 als opvolger van Paul de Cock. Hij studeerde geneeskunde in Leiden waarna hij zich specialiseerde in de dermatologie. Op 19 juni 1974 promoveerde hij aldaar op De betekenis van DNA cytofotometrie voor de vroegtijdige diagnostiek van mycosis fungoides.Hij werd benoemd tot hoogleraar huid- en geslachtsziekten in Leiden in 1980. Daarna werd hij benoemd tot hoogleraar dermatologie in Utrecht (1985) en tevens hoofd van de afdeling en opleider van assistenten. In 1999 won hij samen met Rein Willemze en Chris Meijer de Van Vlissingenprijs van de Stichting ‘Ank van Vlissingen Fonds’. Deze prijs wordt toegekend aan personen en instanties die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het onderzoek naar de oorzaken en behandeling van kwaadaardige lymfeklierziekten en het verbeteren van de levenskwaliteit van patiënten die aan dergelijke aandoeningen lijden. Hij ging per 1 juni 2001 met emeritaat.
Wat was in jouw eigen ogen je missie als voorzitter?
“De tijdshorizon bewaken. Daarmee bedoel ik: ‘niet praten over het verleden, maar vooral over de toekomst.’ Waar staat dermatologie over tien jaar bijvoorbeeld. Die vraag was toen – en is nu nog steeds – lastig te beantwoorden, maar het is wel een cruciale vraag om de strategie te kunnen bepalen. Daarbij past dat het vizier naar buiten moet zijn gericht en niet langer inwaarts.”
Welke andere thema’s speelden er in de tachtiger jaren?
“De verhouding tussen perifere dermatologen en academische dermatologen is een issue van alle tijden, maar in mijn tijd laaide die discussie hoog op. Dat had te maken met de angst dat jonge dermatologen geen plek zouden kunnen vinden om zich te vestigen. Bij de toenemende welvaart ontstond er ook ruimte voor/behoefte aan cosmetische dermatologie, meer gericht op welbevinden dan op verminderen van fysiek lijden. Bovendien kwamen in die tijd ook de eerste dermatologen naar voren die meer chirurgisch onderlegd waren en daardoor een deel van het werk van plastisch chirurgen overnamen. Dat alles maakte dat uiteindelijk toch iedereen wel ergens een plek vond.”
In florence
Wat heb je bereikt?
“Een belangrijk punt was de nascholing. De nascholingscommissie was opgericht op basis van een idee van Mali. In mijn periode zijn diverse vormen van nascholing doorontwikkeld, zoals de tweedaagse algemene nascholing, en specialistische nascholing op terreinen zoals flebologie en oncologie. In die periode organiseerden wij naar Amerikaans voorbeeld de eerste snijcursussen en pathologiecursussen. En laat ik de patiëntenvoorlichting vooral niet vergeten, Daar zijn we in die tijd mee begonnen” “Op een terras in Florence hebben Arnold Oranje, Jannes van Everdingen en ik toen de foldercommissie opgericht die naar Amerikaans voorbeeld patiëntenfolders over verschillende huidaandoeningen ontwierp. Hierbij werden wij ondersteund door Gerard Vonk van de firma Lederle en later van Wyeth. Toen Gerard Vonk wegging bij Wyeth bracht hij het drukken en verspreiden van de folders onder bij Galderma en trad zijn echtgenote, Lia Vonk, in zijn voetsporen. Zij stond de commissie 22 jaar bij (tot 2017).”
Esdr en eadv
“De European Society of Dermatological Research (ESDR) werd opgericht in de jaren zeventig van de vorige eeuw door onder andere Rudi Cormane. Met veel plezier heb ik mijn bijdrage daaraan geleverd als penningmeester en later als voorzitter. Ook de European Academy of Dermatology and Venereology (EADV) mogen wij niet vergeten. In 1999 organiseerde ik samen met Jan Bos het jaarlijks congres in Amsterdam. In 2015 organiseerden Martino Neumann en Bibi van Montfrans het nogmaals in Amsterdam.” Van Vloten onderstreept nog eens de waarde van de slagzin voor de NVDV: Let´s make skin better (het motto van het EADV congres in Amsterdam in 1999). Van Vloten stamt nog uit het tijdperk dat er bij vergaderingen van de NVDV patiënten met bijzondere huidafwijkingen werden getoond. Dit was steeds weer een hele organisatie voor de kliniek om patiënten te vinden die bereid waren om hun huidaandoening te tonen. In polikliniekkamers konden de dermatologen langslopen om de patiënt te onderzoeken. In de vergadering daarna werden de patiënten dan besproken. Deze werkwijze verdween geleidelijk toen de fotografie een vast onderdeel vormde van de dermatologische verslaglegging en opeenvolgende foto’s een goed beeld vormden van het ziektebeloop.
Heden ten dage
Hoe zie jij de NVDV anno 2018?
“Als een levendige, actieve maar ook naar binnen gerichte vereniging”. Hij licht dat graag toe: “Dat is iets van alle tijden. Het blijft lastig om leden te motiveren om actief te zijn binnen commissies of het bestuur. Natuurlijk zijn er altijd mensen die zich inzetten voor de vereniging maar dat is een minderheid. Eigenlijk onbegrijpelijk dat zoveel Nederlandse dermatologen naar de jaarvergadering gaan van de American Academy of Dermatology (AAD) zonder dat ze een voordracht presenteren? Contacten met buitenlandse collega’s zijn erg belangrijk en die maak je makkelijker na een presentatie.” Over de Domeingroepen is hij positief: “Zij bewaken de dermatologische kwaliteit en dat is cruciaal.” De tijden zijn veranderd. De secretaris van de NVDV maakte de notulen en schreef de brieven. Geld voor secretariële ondersteuning was er niet. Aan zijn voorzittersperiode kwam een abrupt einde: “Er ontstond een conflict met de vereniging. Ik wilde het aantal assistenten in opleiding graag uitbreiden, de leden van de vereniging waren faliekant tegen dat plan. Hun motieven waren financieel: ze vreesden omzetverlies. Het volledige bestuur is toen opgestapt, na een stemming in de ledenvergadering, waarbij de leden voor een andere koers kozen. Dat was nooit eerder, noch later gebeurd.”
Heb je daar spijt van?
“Zeker niet! Het onderwerp was belangrijk genoeg en de tijd heeft geleerd dat die uitbreiding van opleidingsplaatsen wel nodig was.”
Correspondentieadres
Jannes van Everdingen
E-mail: j.vaneverdingen@nvdv.nl