F. Meulenberg
Jaargang 2018
, volume 7
De veel te jong overleden Belgische filosoof en romanschrijver Patricia de Martelaere (1957-2009) stelde zichzelf ooit de volgende vragen: “Hoe bestaat het dat wij de gruwelen in de wereld vrijwel zonder emoties op het journaal bezien, en steeds opnieuw met afschuw en dichtgeknepen ogen van de spanning kijken naar een film als The Deer Hunter en dan vooral de scène met het Russisch roulette? Hoe bestaat het dat mensen keer op keer huilden bij het zien van de film Gone With The Wind? [1]
Het antwoord vond ze in deze hypothese: “Van werkelijkheid over reportage naar fictie is er weliswaar een afname van praktisch belang en relevantie, maar deze zou weleens gepaard kunnen gaan, althans in bepaalde gevallen, met een toename van beleefde intensiteit en identificatie.” Misschien is het doorgronden van het werkingsmechanisme van deze hypothese de drijfveer van mijn leven.
Weglopers
De Martelaere toont de zeggingskracht aan van fictie. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs een film te zijn. Een ultrakort verhaal kan eenzelfde impact hebben. Neem het heel korte verhaal uit 1975 van de Amerikaanse auteur Ursula K. Le Guin (1929-2018) The ones who walk away from Omelas. [2] Hierin lezen we over een gelukkige en welvarende stad, een sprookjesachtige en magisch utopia: zonovergoten, vol muziek en louter tevreden en gelukkige burgers, op het “grenzeloze en overvloedige af.” Maar plotseling neemt dit zomerse verhaal een duistere wending, en voert de verteller de lezer van de gelukkige straten mee naar een donkere kerker, waar een jongen of meisje van ongeveer tien wordt gevangengehouden, gemarteld en uitgehongerd. Met angst in de ogen, graatmager met atrofische kuiten en etterende huidwonden. We lezen dat de inwoners van Omelas niet onbekend zijn met het lot van dit kind: “Ze weten allemaal dat het er is, alle inwoners van Omelas […] begrijpen dat hun geluk, de schoonheid van hun stad, hun goede vriendschappen, de gezondheid van hun kinderen, de wijsheid van hun geleerden, de kundigheid van hun ambachtslieden, zelfs hun overvloedige oogsten en het vriendelijke weer, geheel afhangen van de afschuwelijke ellende waarin dit kind verkeert.”
De meeste burgers zijn er kapot van, maar ze leggen zich erbij neer, ze beginnen het zelfs te rationaliseren, te rechtvaardigen. Tenslotte is het kind wegens langdurig misbruik toch al zwakbegaafd en niet in staat om een zinvol leven te leiden, al zou het uit de kerker mogen vertrekken. Maar niet alle burgers denken er zo over. Sommigen besluiten dat ze niet langer in Omelas kunnen blijven. Ze vertrekken: “Ze lopen door, ze lopen zo de stad Omelas uit, door zijn prachtige poort … Ieder alleen … Ze lopen de duisternis in en komen niet meer terug. Hun plaats van bestemming is voor de meesten van ons zelfs minder voorstelbaar dan de stad van voorspoed … Mogelijk bestaat die niet eens. Maar ze lijken te weten waar ze naartoe op weg zijn, zij die uit Omelas weglopen.” Wie het verhaal las, zal het nooit vergeten. Want zowel degenen die blijven als de weglopers laten de hamvraag onbeantwoord: hoeveel leed van een individu rechtvaardigt het geluk van anderen? [3]
Vruchtvlees
Goede literatuur neemt vaak van de gedaante aan van een gedachtenexperiment. Zoals in het verhaal van Le Guin. Even huiveringwekkend, maar op een andere manier, is Bloedsinaasappel van de Waal Bernard Quiriny. [4] In deze raamvertelling vertelt een man in een restaurant waarom hij elke zondag verse jus d’orange bestelt en daar druppetjes bloed in schenkt. Hij doet dat al sinds de dag dat hij, vijftien jaar geleden, in Brussel een wonderschone vrouw ontmoette die hij sindsdien de “sinaasappelvrouw” noemt. Ongeveer 20 jaar jong, met schitterende blonde lokken, en magnetiserende ogen. Ze lopen samen door Brussel waarbij de naamloze vrouw zich laat leiden als een kind, om zich heen kijkend als ware ze afkomstig van een andere planeet. Aan het eind van de avond neemt de man haar mee naar zijn huis. Nadat ze op bed vallen, wil hij zijn hand onder haar trui steken, maar de vrouw houdt hem tegen met de bezwerende woorden: “Je hoeft niet bang te zijn.” De man probeert het te begrijpen: Brandwonden? Een zwaar ongeluk? Littekens en eeltplekken? De onthulling volgt snel:
“Van haar buik tot haar hals was ze bedekt met een sinaasappelhuid. Het was een pantser dat haar perfect omsloot, als een nessushemd. Gegrepen door verlangen en paniek wist ik niet hoe ik moest reageren: moest ik haar benaderen met mijn lippen en die bovennatuurlijke huid proeven, of haar gewoon bewonderen zonder haar aan te raken?”
Voor de goede orde: de veerman Nessus was in de Griekse mythologie een centaur die, stervende, zich wil wreken op Heracles door diens vrouw (Deianira) een giftig en in bloed gedrenkt hemd te geven. De man hoeft niet te kiezen, want de vrouw kleedt zichzelf geheel uit. Hij ontdekt dat ook haar dijen en benen met dezelfde korsten bedekt zijn als haar bovenlichaam: “de sinaasappelhuid werd steeds fijner naarmate hij dichter bij haar enkels, polsen en hals kwam, en hij eindigde in een rand die leek op een nagelriem.” Opnieuw brengt dit de man in verwarring: kan hij haar beminnen zoals een andere vrouw of belet haar sinaasappelhuid de geslachtsdaad? De vrouw doet echter iets verrassends: voorzichtig pulkt zij een stukje sinaasappelhuid los van haar kuit en zegt: “Nu is het jouw beurt.” De uiterst sensuele afpelceremonie begint:
“Ik pelde haar van top tot teen, trok haar pantser er met hele flarden af en, zoals kinderen die proberen een zo lang mogelijke schil te krijgen, zo draaide ik rond haar dijen om serpentines te maken. (…) Op sommige plaatsen waar de witte velletjes wat dikker waren, bleef er op het vlees een sponzige, witachtige laag over die botanisten het vruchtvlees noemen, en die ik eraf haalde door hem tussen mijn vingers te plooien als een tapijt dat je oprolt.”
Een sterke geur van sinaasappels vult de kamer, terwijl de vrouw kreunt van genot. Hoeveel tijd het kostte haar te ontdoen van haar sinaasappelschil? Eén, mogelijk twee uur. Als haar lijf na al die tijd in “menselijke staat” is teruggebracht, kan hij het werkelijke vruchtvlees tot zich nemen.
Morning after
De man slaapt in één ruk door, denkt bij het ontwaken meteen aan de mooie blonde vrouw en kijkt opzij om tot een afschuwelijke ontdekking te komen:
“In plaats van die blonde engel die ik had bemind vond ik een gerimpeld en verschrompeld lichaam, alsof het aan de vlammen was blootgesteld geweest. Op verschillende plaatsen ontwikkelde zich een dikke, blauwe schimmel, en haar hele gezicht was verminkt door huiduitslag; de velletjes die ik de vorige dag had verwijderd waren zwart en hard geworden, en sommige waren vloeibaar geworden en produceerden een kleverige blubber die op het parket drupte. Ik was verlamd, en mijn geest weigerde het meisje van gisteren te herkennen in dit ontbindende lichaam.”
De stervende vrouw fluistert nog een laatste opmerking: “Drink me nu op.” In de keuken vindt de man rietjes en hij plant een rietje in haar voorhoofd (zelfs de beenderen hebben geen consistentie meer) en begint te drinken. Het mengsel van bloed en sinaasappel is verrukkelijk en hij drinkt haar helemaal leeg totdat er niets anders overblijft dan “een doorzichtig en verfrommeld vlies, als een partje sinaasappel waaruit het vruchtvlees is weggezogen.”
Fascinatie
Die ervaring is die geboorte van een fascinatie en sindsdien experimenteert hij met jus d’orange en bloed, waarbij hij de dosering, het suikergehalte en de bloedgroep varieert, zonder tot op heden die unieke smaaksensatie te hervinden. Diverse vragen blijven onbeantwoord: wist de vrouw dat dit haar dood zou worden? Is de man in dat geval een moordenaar? Of heeft de vrouw door sluw manipuleren zelfmoord gepleegd onder de liefdevolle vingers van haar minnaar? Als het laatste het geval is, dan offerde de vrouw zich op, in ruil voor het geluk van de man in kwestie. En valt dit offer te rechtvaardigen (om terug te komen op het morele dilemma van Le Guin)? De mens als vruchtvlees, met de huid als harde schil. Een boeiende gedachte, en dan is het gepast de vrucht te verorberen als deze rijp is. Aan overrijpe vruchten, laat staan rottende exemplaren, heeft niemand iets. De erotische associatie tussen het eten van een sappige vrucht en de geslachtsdaad is zelfs voor de hand liggend, ervan uitgaande dat het primaire, biologische doel van het eten van vruchten het verspreiden van de pitten is. De mens als vrucht zien we ook terug bij de heerlijk idiosyncratische kronieken van de Braziliaanse Clarice Lispector (1920-1977), wat mij betreft dé herontdekking van 2017:
“Ingewijd als ik ben voorvoel ik de verandering van jaargetijde. En wens ik het leven voller dan een enorme vrucht. In die vrucht, die groeit in mij, in die vrucht, die sappig is, is plaats voor de lichtste vorm van slapeloosheid, mijn wijsheid van een wakker dier: een zweem van waakzaamheid, een zweem van waakzaamheid, net genoeg gewekt voor een voorgevoel.” [5]
Quiriny’s thema is nogal uniek, voor zover ik weet. Het doet hooguit denken aan enkele regels van de Franse surrealist Guillaume Apollinaire (1880-1918): “Het raam gaat open als een sinaasappel / de prachtige vrucht van het licht.” [6] Wat de naamloze verteller van Quiriny meemaakte, is zonder weerga. Het gaf zijn leven definitief een andere wending. De herinnering aan de kortstondige, heftige ontmoeting met die bijzondere vrouw moet hij derhalve koesteren, indachtig de woorden van de glorieuze Mexicaanse auteur Alejandro Zambra: “Wat voor zin heeft het om bij iemand te zijn die je leven niet verandert?” [7]
Literatuur
1. De Martelaere P. Echter dan werkelijk – Over ‘fictie’ in de literatuur. In: Een verlangen naar ontroostbaarheid – Over leven, kunst en dood. Meulenhoff/Kritak, Amsterdam 1993:137-49.
2. Le Guin U. The ones who walk away from Omelas. In: The wind’s twelve quarters. Gollancz, London 2015: 254-63.
3. Meulenberg F, De Beaufort ID (eds). Science, Fiction, and ScienceFiction – The role of fiction in public debates on medical ethical issues and in the medical education. Erasmus University, Rotterdam 2006.
4. Quiriny B. Bloedsinaasappel. In: Vleesetende verhalen. Stichting Voetnoot, Amsterdam 2011:7-22 [vertaling: Hilde Keteleer].
5. Lispector C. De ontdekking van de wereld. Arbeiderspers, Amsterdam 2016:26,102 [vertaling Harrie Lemmens].
6. Apollinaire G. Het raam gaat open als een sinaasappel. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2017 [vertaling Kiki Coumans].
7. Zambra A. Bonsai. Karaat, Amsterdam 2010:26 [vertaling Luc de Rooy]
Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl