Ode aan de literaire figurant

Terug

7 min. leestijd

Delen via:

F. Meulenberg

Jaargang 2018

, volume 8

Artikel in PDF

In The Major, aflevering 15 van het tweede seizoen van de Netflixserie The Blacklist (met een weergaloze James Spader in de hoofdrol) onderzoekt een rechter de moord op een havenmeester. FBI-agente Elisabeth Keen doodde de man. In een besloten zitting verschuilt de FBI zich achter de stellingname dat de nationale veiligheid in het geding is. De rechter weet heel goed dat zijn beslissing een lastige is. Hij durft dat aan, want: “als ik niet in staat zou zijn een moeilijke beslissing te nemen, dan was ik wel dermatoloog geworden.” Ziedaar het imago van een dermatoloog …

Dan is er de film Closer uit 2004 van regisseur Mike Nicols (vooral bekend van The Graduate). Op de achtergrond klinken bekende aria’s uit Mozarts’ Così fan tutte terwijl twee stellen verstrengeld raken in een pijnlijk overspelritueel. Eén van hen is de behoorlijk lompe Larry (Clive Owen), een vuilbekkende dermatoloog die anoniem op seks-chatsites figureert. Een wat primitieve maar vriendelijke geest, een getergde reus die door het rookgordijn van de moderne liefde heen kijkt en weet waar het om gaat: winnen of verliezen. Niet echt een sieraad voor de beroepsgroep. Overigens komt het vak dermatologie verder niet aan bod in een film die vooral wordt gedragen door de visueel verbijsterende metamorfosen van actrice Natalie Portman, resulterend in een Oscarnominatie voor haar rol.

Lot

Het lijkt het lot van dermatologen en huidaandoeningen in de filmkunst: een plek in een scène die bij de gemiddelde kijker nauwelijks beklijft. Grosso modo geldt dat ook voor de bellettrie. Een romanschrijver is voor een verhaal immers op zoek naar drama. Ziekten als kanker, dementie, MS en ALS zijn daarvoor erg geschikt. Er is veel publiciteit rondom deze aandoeningen, niet in de laatste plaats omdat er veel onderzoek naar gebeurt, en vice versa. In dit rijtje ‘spektakelziekten’ hebben dermatologische diagnosen nauwelijks een plek, ondanks hun vaak chronische karakter. Huidzieken hebben een PR-probleem. Het is, in de ogen van velen, klein leed, hoewel er miljoenen mensen ter wereld aan lijden, zonder dat de publieke opinie daarvoor veel aandacht heeft. Waar de Burden of skin disease study van de WHO toch overduidelijk maakt hoe groot de collectieve impact is van een chronische huidaandoening. [1]

Echte artsen in fictie
Soms gebeurt het dat echte artsen opduiken in een literaire schepping. Bijvoorbeeld de huisartsen Jaap D. Querido en Frans J. Meijman in respectievelijk boeken van Renate Rubinstein en Connie Palmen. Binnen de dermatologie is mij slechts één voorbeeld bekend: aan de Deventer dermatoloog Jurr Boer wijdde Maarten Biesheuvel een kort verhaal. [2]

Figuranten

“Het lichaam is ruis, hoe minder ruis, hoe mooier de stilte”, aldus Sara van der Kooi over haar eigen leven met secundair progressieve MS op jonge leeftijd. [3] Die vrij permanente ruis is herkenbaar voor mensen met een chronische huidaandoening. Speelfilm noch roman kan zonder figuranten, in navolgende gevallen met een huidaandoening. Twee voorbeelden wil ik nader belichten. Een tragische casus komt uit de thriller Schuldbekentenis van Jess Walter, waarin hoofdroos leidt tot vernedering:

Eli Boyles roos was meer dan genoeg vernedering voor één kind. Eigenlijk was ‘roos’ veel te zwak uitgedrukt. Het was net alsof je een sneeuwbol omkeerde en de sneeuwvlokken over het Empire State Building of de Eiffeltoren dwarrelden. Onze klasgenootjes maakten onverwachte geluiden – ze klapten in hun handen of lieten een boek vallen – zodat Eli zich met een ruk zou omdraaien, waarbij de sneeuw van de kappen losliet, in een lawine omlaag stortte en op zijn lessenaar en de grond terechtkwam. Wanneer hij moest niezen, wachtten de leraren tot de as was neergedaald voor ze verder gingen met lesgeven. Het was bijna niet te bevatten dat een menselijk hoofd zoveel roos kon produceren zonder kleiner te worden, en de productie van Eli Boyles hoofdhuid werd dan ook regelmatig genoemd wanneer we weer een wetenschappelijk project moesten bedenken. Wanneer hij door de gang liep, bedekte de dode sneeuw zijn schouders als twee kleinere pieken onder Boyles Everest-hoofd. (…) Eli Boyles roos was genoeg vernedering voor één kind. Genoeg om zijn leven te vernielen, zoals dat alleen op de lagere school kan, voordat het ook maar begonnen is. [4]

Hoofdroos is nog maar het topje van de ijsberg van het lichamelijke leed van de arme Eli Boyle, die nauwelijks in staat is de wreedheid van de kinderjungle te weerstaan. Pas veel later beseft de verteller dat Eli vermoedelijk verstandelijk gehandicapt was. Desondanks koestert de verteller de pure en onvolmaakte Eli als “de gedenkwaardigste persoon die ik ooit heb gekend.”

Om daaraan toe te voegen: “De man die mijn leven redde. En de man wiens leven ik heb genomen.” Overigens is dédain richting minder bedeelden – fysiek en intellectueel – ongepast. De grote Goethe (wie leest hem nog?) zei het al: “Alles wat groot is en over verstand beschikt, is in de minderheid.” [5] Een stelling die heden ten dage nog steeds brandend actueel is.

Gretchen

Een tweede voorbeeld. Philip Bowman besluit, na zijn Harvard studie, te gaan werken als redacteur. Hij verkiest een baan naar zijn hart boven een carrière. Ambities heeft hij op het terrein van de liefde – zoekend naar die ene allesverzengende grote liefde – en niet op de maatschappelijke ladder. De kleine uitgeverij waar hij werkt, het contact met zijn collega’s en auteurs plus de kleine, onverwachte ontmoetingen: zo ziet zijn leven eruit. Overzichtelijk. Op een ochtend spreekt hij met Neil, zijn collega-redacteur en erkend womanizer, als de verlegen secretaresse Gretchen langsloopt: “Ze had een goed figuur en een aantrekkelijk gezicht dat werd ontsierd door drie of vier grote ontstoken vlekken, een of andere ernstige huidziekte, op haar wangen en voorhoofd, waar ze zich erg rot door voelde, ook al liet ze dat niet merken.” [6] Neil kreunt hardop als hij vertelt van zijn seksuele fantasieën over Gretchen. En die huidziekte dan? Die wuift hij weg. Vergeet die rode vlekken of wat het ook is, “die krijgen we er wel af”. Maar dit object van zijn begeerte heeft al een vriend, zo is bekend op kantoor.

Onschuld

Bowman stort zich even later in de eerste liefde van zijn leven, voor Vivian: “Het was pure liefde, de oven waar je alles in stort.” Hij vindt het grote geluk, in volle overgave, onwetend van de kwetsbaarheid en teerheid van geluk. Wat de allereerste liefde zo heftig maakt, is het ontbreken van een referentiekader. Het is volstrekt nieuw, niet toetsbaar aan eerdere ervaringen. Om die reden koestert menigeen een zwak voor zijn of haar eerste liefde. Dat maakt die eerste liefde tevens zo onherhaalbaar. Met de teloorgang ervan, gaat ook iets ‘definitiefs’ verloren. De natuurlijke onschuld. [7] Ieder mens leert van deze ervaring. Zo niet Bowman, die koppig blijft zoeken naar die ene grote liefde. Soms denkt hij wel eens terug aan Gretchen: “Hij dacht aan Gretchen met haar stigma, dat haar op de een of andere manier des te begeerlijker maakte.” Het duurt echter zes of zeven jaren voordat hij haar weer tegen het lijf loopt. “Ze had nog steeds de gave om de afschuwelijke vlekken te negeren, hoewel die nu bijna verdwenen waren. Op haar gladde voorhoofd en wangen waren nog vaag geëtste littekens te zien, nauwelijks zichtbaar.” Inmiddels is ze getrouwd en moeder. In hun gesprek bekent Gretchen dat ze destijds verliefd was op Bowman en, in tegenstelling tot wat iedereen op kantoor dacht, vrijgezel was. Bowman ziet haar plotseling in een ander daglicht. “Ze waren niet meer wie ze toen waren. Hij bewonderde haar echter, het getrouwde meisje dat ze was geweest, de evenwichtige vrouw die ze nu is.” Onverminderd is ze aantrekkelijk: “Ze had een leeftijd waarop ze nog steeds naakt kon zijn”. Hij smeedt in fantasie snode plannen voor seksuele escapades met haar. Het komt er niet van. Ze verliezen elkaar definitief uit het oog.

Te vaak blijven huidaandoeningen onzichtbaar voor de meeste mensen/lezers.

Stijl

Bowman, de eeuwige buitenstaander, is de hoofdpersoon in de roman Alles wat is van James Salter (1925-2015) – een schrijver met ervaring als filmscenarist. Decennialang gold hij als een writer’s writer, bewonderd door een kleine schare literatuurliefhebbers. Totdat Alles wat is verscheen in 2013, een wereldwijde bestseller. Een roman over een gewone man met gewone verlangens, hoop, wensen en liefdes plus de onvermijdelijke teleurstellingen, groot en klein (en in zijn soort vergelijkbaar met Stoner van John Williams, ook qua niveau en zeggingskracht). Tot in de details fonkelt zijn stijl. Zelfs de vele tientallen bijfiguren weet hij in luttele zinnen haarscherp te portretteren.

Dermatologie heeft vaak een bijrol in de bellettrie. Men leest er gauw overheen – enigszins achteloos – en dat kan mede de reden zijn waarom huidaandoeningen in het algemeen nauwelijks of niet worden gezien of erkend als zijnde belangrijk. Te vaak blijven huidaandoeningen onzichtbaar voor de meeste mensen/lezers. Vandaar deze kleine ode, aan zo’n figurant die, ware het een speelfilm, vermoedelijk niet eens naamsvermelding zou krijgen in de aftiteling: de verlegen doch beminnelijke Gretchen, aantrekkelijk niet ondanks maar dankzij haar huidaandoening, en haar gave deze aandoening te negeren.

Literatuur

1. Hay RJ, Johns NE, Williams HC, et al. The global burden of skin disease in 2010: An analysis of the prevalence and impact of skin conditions. J Invest Dermatol 2014;134:1527-34.
2. Biesheuvel JMA. Bijgeloof. In: Duizend vlinders. Meulenhoff, Amsterdam 1981:95-9.
3. Van der Kooi S. Hersenvlekken. Hoogland & Van Klaveren, Amsterdam 2017:7.
4. Walter J. Schuldbekentenis. Uitgeverij Elmar, Rijswijk 2004:25-27 [vertaling: Ammerins Moss-de Boer].
5. Eckermann JP. Gesprekken met Goethe. Arbeiderspers, Amsterdam 1991:287 [vertaling Gerda Meijerink].
6. Salter J. Alles wat is. De Bezige Bij, Amsterdam 2013 [vertaling: Ton Heuvelmans].
7. Meulenberg F. Symptomen van de eerste liefde – Een verkenning in filosofie, literatuur en vleugjes werkelijkheid. Belvedere, Overveen 2008.

Correspondentieadres
Frans Meulenberg
E-mail: f.meulenberg@nvdv.nl